Inleiding

De Staat van productveiligheid geeft op hoofdlijnen een beeld van de Nederlandse consumentenmarkt. Het beschrijft de veiligheid van consumentenproducten aan de hand van vier indicatoren: gezondheidsschade gerelateerd aan het gebruik van consumentenproducten, de mate waarin consumentenproducten voldoen aan wettelijke eisen, de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven en de signalen uit de maatschappij. Specifiek worden de diverse marktpartijen en hun rol en verantwoordelijkheden beschreven. De van invloed zijnde wet- en regelgeving en de rol en werkwijze van de NVWA als toezichthouder worden belicht. Aspecten die van invloed zijn op de veiligheid van consumentenproducten zoals trends en ontwikkelingen komen aan de orde, evenals de risico’s zoals de NVWA die ziet. Deze Staat van productveiligheid belicht het onderwerp productveiligheid vanuit de rol van de toezichthouder, de NVWA. Andere risico’s zoals financiële en economische risico’s vallen buiten dit kader. Tot slot volgt een antwoord op de vraag hoe veilig consumentenproducten in Nederland zijn.

De Staat van productveiligheid beschrijft hoe het staat met de veiligheid van consumentenproducten Non-food consumentenproducten worden verder in het rapport aangeduid met consumentenproducten of producten. in Nederland. Het betreft een grote diversiteit aan consumentenproducten waarmee de consument in aanraking komt in het dagelijks leven: van huidverzorgingsproducten als gezichtscrème tot huishoudchemicaliën als wasmiddel, doe-het-zelfproducten als verf en huishoudelijke producten als een koelkast en keukenapparatuur. Bekijk figuur >

Met de rapportage ‘De Staat van productveiligheid’ beoogt de NVWA de politiek en de samenleving te informeren over het thema productveiligheid. Met deze informatie geeft de NVWA invulling aan haar reflectieve, agenderende en signalerende functie op het gebied van productveiligheid.

De eerste Staat van productveiligheid

De Staat van productveiligheid is onderdeel van een reeks ‘De Staten van’ die de NVWA periodiek publiceert. De informatie in deze eerste Staat van productveiligheid gaat uit van de bij de NVWA beschikbare gegevens op het terrein van productveiligheid. Van sommige productgroepen Productgroepen zijn voor de NVWA de 15 thema’s (domeinen) op het gebied van productveiligheid: attractietoestellen, baby- en kinderartikelen, biociden, chemische stoffen in consumentenproducten, cosmetica, draagbaar klimmateriaal, elektrotechnische producten, gastoestellen, machines, materialen die met levensmiddelen in aanraking komen, persoonlijke beschermingsmiddelen, speelgoed, speeltoestellen voor gebruik in openbare ruimten, tatoeëren en piercen, textiel. zijn minder gegevens beschikbaar, wat onder meer te maken heeft met prioriteiten in het toezicht. Ook zijn gegevens op onderdelen niet compleet of niet specifiek te benoemen. Dit wordt meegenomen in de informatiebehoefte voor de volgende Staat van productveiligheid. Voor specifieke informatie over de onderwerpen in deze Staat van productveiligheid wordt verwezen naar het Brondocument productveiligheid en/of de webdossiers. Bekijk de inhoudsopgave van het brondocument >

Begrippen

Voor de NVWA worden productveiligheid en de begrippen die ermee samenhangen grotendeels bepaald door de beschrijving in de desbetreffende wetgeving.
Hieronder volgt een korte beschrijving van consumentenproducten, de reikwijdte van de EU-Richtlijn algemene productveiligheid en het begrip productveiligheid.

Consumentenproducten

Deze Staat van productveiligheid richt zich op de veiligheid van non-food consumentenproducten, verder in de tekst ‘consumentenproducten’ genoemd. Een consumentenproduct betreft elk artikel bestemd voor de verkoop aan of het waarschijnlijke gebruik door consumenten, ongeacht of het om een nieuw, gebruikt of hersteld product gaat (Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid, 2016). Voor de NVWA als toezichthouder op productveiligheid is de Europese Richtlijn algemene productveiligheid bepalend. Hierbinnen vallen in beginsel alle producten die consumenten gebruiken of die worden aangeboden via verkoopkanalen die voor de consument toegankelijk zijn. Uitgezonderd: antiek en producten die gerepareerd worden. Het betreft dus ook tweedehandsproducten, en producten die in eerste aanleg niet voor de consument zijn ontwikkeld, maar wel aan consumenten ter beschikking staan zoals kermisattracties, verhuur van professionele doe-het-zelf-materialen of het toepassen van tatoeage-inkten door tatoeëerders.

Een veilig product

Een consumentenproduct is volgens de wet veilig Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid, 2016. wanneer het bij normale of redelijkerwijs te verwachten gebruiksomstandigheden geen enkel risico oplevert. Hieronder vallen ook gebruiksduur en eventueel gebruikname, installatie en onderhoudseisen. Een product is ook veilig als er slechts beperkte risico’s zijn: risico’s die aanvaardbaar en verenigbaar zijn met het beoogd gebruik van het product en die de gezondheid en de veiligheid van personen niet schaden. Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid, 2016.

Een onveilig product

Een product wordt als onveilig beschouwd wanneer het, gezien zijn bestemming en te verwachten gebruik, bij gebruik in bepaalde (gebruiks-)omstandigheden letsel of andere gezondheidsschade aan mens of dier toebrengt. De gezondheidsschade hoeft nog niet daadwerkelijk te zijn ontstaan.
Het is niet zo dat een product met duidelijke gevaareigenschappen altijd als een onveilig product wordt beschouwd; denk bijvoorbeeld aan kettingzagen of chemische middelen als antikalkmiddelen en wc- of toiletreinigers. De wetgever acht het risico dat een gebruiker per ongeluk letsel oploopt aanvaardbaar, maar laat dit wel gepaard gaan met het voorschrijven van een waarschuwing op de verpakking tegen onzorgvuldig gebruik en aanwijzingen (voorzorgsmaatregelen) om te vermijden dat het onverhoopt toch misgaat. Een overweging hierbij is, dat de gebruiker over het algemeen bekend is met de risico’s van onzorgvuldig gebruik van dit soort consumentenproducten.

Overige begrippen


Begrippenkader Staat van productveiligheid


Toezicht is het verzamelen van informatie over de vraag of een handeling of zaak voldoet aan de gestelde wettelijke eisen, het zich vervolgens vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren.

Bron: Toezichtskader NVWA >

Handhaving is gericht op het ‘doen naleven’ en omvat het gehele spectrum van activiteiten dat is gericht op het laten voldoen aan de eisen die aan een zaak of handeling worden gesteld. In het kader van handhaving houdt de NVWA toezicht op de naleving van wet -en regelgeving door bedrijven en instellingen. In de praktijk is het gericht op het beïnvloeden van het gedrag van niet-nalevers. Het is een verzamelnaam voor activiteiten die zijn gericht op het bewerkstelligen van een goede naleving of een goede kwaliteit. De activiteiten lopen uiteen van het uitvoeren van inspecties en verlenen van nalevingshulp tot het verrichten van opsporingsonderzoek en sancties opleggen.

Bron: Toezichtskader NVWA >

Het bestuursrecht gaat uit van het stoppen van de overtreding en het eventueel straffen van de overtreder met een geldboete. Het strafrecht kan misstanden blootleggen door strafrechtelijk onderzoek en de inzet van dwangmiddelen. Daarmee heeft het strafrecht een ruim sanctiearsenaal dat complementair kan zijn aan het bestuursrecht. Via het strafrecht kunnen naast de rechtspersoon ook natuurlijke personen, bijvoorbeeld de feitelijke leidinggever van de strafbare gedraging, worden bestraft. Strafrecht wordt ingezet als dat effectiever blijkt dan andere instrumenten. Het kan een rol spelen naast bestuurlijke herstelsancties. Opsporingkan het aangewezen instrument zijn als andere (bestuursrechtelijke) instrumenten niet of niet meer toereikend zijn.

Bron: Toezichtskader NVWA >

Fraude
Een algemene definitie van fraude luidt: opzettelijke misleiding om een voordeel te behalen ten koste van anderen. Hierin zitten drie basisbestanddelen. Allereerst moet de misleiding opzettelijk zijn: het kan ook zijn dat men ongewild en onbewust een foute voorstelling van zaken geeft. Zo is regelgeving soms dermate ingewikkeld dat het niet naleven ervan zowel voordelen als nadelen oplevert voor de overtreder. Het tweede aspect van de definitie draait om misleiding: men zet anderen op het verkeerde been door een valse voorstelling van zaken te geven. Dat kan actief door een leugen te vertellen of door bepaalde veranderingen in de eigen situatie niet te melden. Ten derde moet het bedrog ten eigen voordele strekken. Vaak zal het dan om het binnenharken van geld van anderen gaan. Maar een dergelijke gedraging kan ook draaien om het verwerven of verkrijgen van een vooraanstaande (markt)positie.

Bron: WODC (2014). Fraude. Justitiële verkenningen 2014 nummer 3. Augustus 2014. Boom Lemma. Den Haag. Bekijk >

Risico: een risico is een situatie of gebeurtenis waarbij voor de mens waardevolle zaken (inclusief de mens zelf) op het spel staat en waarbij de uitkomst onzeker is.

Bron: Rosa, E. A. ( 2003). The logical structure of the social amplification of risk framework (SARF): Metatheoretical foundation and policy implications. In N. K. Pidgeon, R.E.and Slovic, P (Ed.), The social amplification of risk. (pp. 47-79). Cambridge: Cambridge University Press.

Risicobeoordeling: wetenschappelijk gefundeerd proces, bestaande uit 4 stappen, te weten gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingschatting en risicokarakterisatie.

Bron: Wet onafhankelijke risicobeoordeling NL Voedsel- en Warenautoriteit. Bekijk >

Risico analyse: risicobeoordeling en risicomanagement.

Bron: CODEX Alimentarius

Op 1 januari 2016 telde Nederland bijna 17 miljoen inwoners en 7,7 miljoen huishoudens. CBS: Huishoudens; samenstelling, grootte, regio; op 1 januari 2016; Bekijk > De consument komt 24 uur per dag in aanraking met consumentenproducten. Elk huishouden heeft honderden consumentenproducten in huis, zoals was- en reinigingsmiddelen, elektrotechnische producten variërend van lampen tot computers, gasverbruikende toestellen voor koken en verwarmen, persoonlijke verzorgingsartikelen, kinderartikelen, speelgoed, textiel en tuin- en doe-het-zelf artikelen. Buitenshuis komen daar nog bij de consumentenproducten die via dienstverleners ter beschikking staan van de consument (bijvoorbeeld zonnebanken, fitnessapparatuur, kermisattracties, speeltoestellen en nieuwe consumentenproducten zoals kleine drones).

Figuur 1 Beeld van de consumentenproducten waarmee een Nederlandse consument op een willekeurige dag in contact komt.

Leeswijzer

Hoofdstuk 1 gaat in op de markt van consumentenproducten en beschrijft de rol van de betrokken marktpartijen. In hoofdstuk 2 staat het wettelijk kader centraal. Hoofdstuk 3 geeft een beeld van het toezicht. Hoofdstuk 4 schenkt aandacht aan de indicatoren die de mate van veiligheid van de consumentenproducten bepalen en tot slot volgt het antwoord op de vraag hoe veilig consumentenproducten in Nederland zijn.