2. Wettelijk kader

De Europese Unie kent een geharmoniseerd wettelijk kader EU verordening 265/2008 Bekijk > voor productveiligheid. Dit kader voorkomt enerzijds dat onveilige consumentenproducten op het grondgebied van de EU komen, anderzijds zorgt het voor een interne markt waarbij consumentenproducten binnen de EU vrij worden verhandeld mits ze veilig zijn.

De wetgeving kent algemene kwalitatieve veiligheidseisen, maar ook concrete kwantitatieve eisen voor consumentenproducten als elektrotechnische producten, cosmetica en speelgoed. Bekijk het brondocument bijlage 2: Overzicht regelgeving productveiligheid> De Nederlandse overheid zorgt voor nationale wetgeving, daar waar er geen Europese regels zijn.

2.1. Verantwoordelijke partijen

Bedrijfsleven

Ondernemers die consumentenproducten produceren en verhandelen, zijn verantwoordelijk voor het aanbod van veilige consumentenproducten op de markt. Daartoe moeten ze voldoen aan de voor het desbetreffende product geldende wetgeving.

Overheid

Op Europees niveau worden wetten en regels uitgevaardigd die eisen stellen aan de productveiligheid op de Europese markt. De Europese Commissie, de Europese Raad, het Europese parlement en de lidstaten spelen hierin een rol, evenals de Raad van Europa. Deze laatste is betrokken bij een aantal specifieke productgroepen waarvoor nog geen geharmoniseerde wetgeving geldt, zoals tatoeagekleurstoffen. De Nederlandse overheid zorgt voor nationale wetgeving daar waar er geen Europese regels zijn.
Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ontwikkelt het beleid voor productveiligheid ter bescherming van de gezondheid van de burger zowel in nationaal als in EU-verband. Het ministerie van Economische zaken (EZ) heeft een rol in het EU-wetgevingstraject vanuit het oogpunt van de interne markt, dit heeft onder andere geresulteerd in zogenoemde nieuwe aanpak richtlijnen die zowel de interne markt voor producten realiseren als productveiligheidseisen stellen.

De NVWA ziet als nationale toezichthouder voor consumentenproducten toe op de naleving door fabrikanten, EU-importeurs en distribiteurs van de wet- en regelgeving voor productveiligheid. Aanpak van fraude door de NVWA-IOD op het domein productveiligheid gaat in beginsel via de Warenwet. In de Warenwet zijn drie artikelen opgenomen waarvan overtreding aangemerkt wordt als misdrijf (artikel 21 lid 3, artikel 27 lid 2 en artikel 30 lid 3 van de Warenwet). Deze 3 artikelen bieden in de praktijk in veel gevallen echter onvoldoende grond voor de inzet van de NVWA-IOD. Veel bepalingen in de Warenwet hebben betrekking op bestuursrechtelijke kwesties. In die gevallen is een bestuurlijke afdoening door de toezichtdivisie van de NVWA de geëigende aanpak.

Regelgeving aanpak fraude

De drie artikelen (artikel 21 lid 2, artikel 27 lid 2 en artikel 30 lid 3 van de Warenwet) bieden in de praktijk in veel gevallen onvoldoende grond voor de inzet van de NVWA-IOD. Ten eerste omdat het bij deze artikelen in beginsel gaat om misdrijven met een gevangenisstraf van maximaal 2 jaar. Voor de inzet van bijzonder opsporingsmiddelen is dit onvoldoende, omdat er dan sprake moet zijn van een verdenking van een feit waarop voorlopige hechtenis is toegelaten. In beginsel is dit bij feiten met een stafbedreiging van maximaal 4 jaar gevangenisstraf. Er zal daarom aanvullend sprake moeten zijn van commune delicten zoals valsheid in geschrifte of oplichting.

Ten tweede bieden de 3 artikelen in de Warenwet inhoudelijk beperkte handvatten voor de NVWA-IOD. De artikelen 27 en 30 in de Warenwet zijn bijvoorbeeld te specifiek: artikel 27 is een verbod op het verwijderen, beschadigen of onleesbaar maken van een aangebracht merk van afkeuring op een technisch voortbrengel en artikel 30 is een verbod op het gebruik van een technisch voortbrengsel dat buiten gebruik is gesteld. In het derde artikel, artikel 21 Warenwet, staat dat de minister eerst moet gelasten dat de exploitant stopt met zijn handelingen indien waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens. Als degene die het betreffende waar verhandelt of heeft verhandeld, zich niet houdt aan de last van de minister dan is er pas sprake van een misdrijf. Doordat er eerst een last afgegeven moet worden aan de exploitant, kan er minder snel worden ingegrepen en kunnen de gevolgen van de overtreding langer doorgang vinden. Daarnaast zal de verdachte gealarmeerd zijn door het afgeven van de last waardoor de inzet van opsporingsbevoegdheden, zoals een telefoontap of een observatie, minder zinvol zal zijn.

Tot slot hebben veel bepalingen in de Warenwet betrekking op civielrechtelijke kwesties (bijvoorbeeld schending van merkenrecht). In die gevallen is een bestuurlijke afdoening door de toezichtsdivisie van de NVWA de geëigende afdoening.

2.2. Wet- en regelgeving productveiligheid

Op Europees niveau zijn wetten en regels van toepassing die eisen stellen aan de veiligheid van consumentenproducten op de Europese markt. In de hele EU gelden dezelfde productveiligheidseisen.

Voor het gebruik van intrinsiek risicovolle consumentenproducten door kwetsbare groepen schrijft de wetgeving aanvullende maatregelen voor: aanwijzingen voor veilig gebruik, kinderveilige sluitingen, beperking van chemische toevoegingen en valpreventieve middelen.

Intrinsiek risicovol consumentenproduct

Het is van belang onderscheid te maken tussen een (intrinsiek) onveilig product en een product waarmee onveilig wordt omgegaan, of waarmee door omstandigheden een ongeval gebeurt. Een onveilig product voldoet niet aan de algemene en/of specifieke wettelijke eisen en kan daardoor een risico opleveren. Ook een product dat onveilig is bij redelijkerwijs te verwachten gebruik, valt in de regel onder een onveilig product. Producten die wel voldoen aan wettelijke eisen kunnen toch gezondheidsschade opleveren door het gedrag van de consument zelf, de omgeving of de omstandigheden waarin het product wordt gebruikt. Een scherp keukenmes of kettingzaag die voldoet aan de wettelijke eisen wordt bijvoorbeeld pas gevaarlijk als deze verkeerd wordt gebruikt.

Algemene informatie over product normen

Productnormen

De veiligheidseisen die in de nieuwe aanpak richtlijnen zijn opgenomen, beperken zich in de meeste gevallen tot de essentiële veiligheidseisen. Invulling met concrete product- en onderzoekeisen vindt plaats in geharmoniseerde Europese Productnormen. Dit zijn door de Europese normalisatie instelling CEN ontwikkelde normen, vaak in opdracht van de Europese Commissie. Na positieve beoordeling door de Europese Commissie op deugdelijkheid worden deze productnormen aangewezen en worden de referentienummers ervan gepubliceerd in het publicatieblad van de Europese Unie, en zijn daarmee meteen rechtsgeldig.
Wanneer voldaan wordt aan deze niet-wettelijk verplichte productnormen, dan levert dat het vermoeden op dat het product voldoet aan de wettelijke essentiële veiligheidseisen die in de richtlijnen zijn gesteld. De term ‘vermoeden van overeenstemming’ wordt gebruikt omdat de normen vanwege hun vaak lange ontwikkeltijd niet altijd de laatste stand van de techniek weergeven, omdat inzichten over minimale veiligheidsniveaus kunnen wijzigen, bijvoorbeeld op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten, of omdat een fabrikant anderszins kan aantonen dat het product veilig is.

Als normen ontbreken of niet meer voldoen

Voor innovatieve producten zijn de geldende productnormen niet altijd geschikt of toereikend. De wetgever biedt daarom de mogelijkheid aan de fabrikant om andere, nieuwe technische oplossingen toe te passen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau geven. In dat geval moet de fabrikant kunnen aantonen dat zijn product voldoet aan de verplichte essentiële veiligheidseisen, waarbij niet de geldende productnorm hoeft te worden of kan worden gebruikt.
Daarnaast zijn er niet voor elke productcategorie specifieke productnormen ontwikkeld of beschikbaar. Om aan te tonen dat zo’n product wel aan de essentiële veiligheidseisen voldoet, dient de fabrikant onderzoek te laten verrichten. Daarbij kan worden gebruik gemaakt van andere algemeen bekende (geaccepteerde) bronnen waaruit het veiligheidsniveau van het product kan worden afgeleid, zoals bijvoorbeeld Amerikaanse normen.

2.2.1. Richtlijn algemene productveiligheid (APV)

De Richtlijn algemene productveiligheid is in Nederland opgenomen in de Warenwet en in het Warenwetbesluit algemene productveiligheid. Deze schrijft voor dat alle consumentenproducten die op de markt worden gebracht en verhandeld, veilig moeten zijn. Deze richtlijn werkt als juridisch vangnet voor die consumentenproducten die niet onder een specifieke productveiligheidsrichtlijn vallen.

Richtlijn algemene productveiligheid

De Richtlijn algemene productveiligheid schrijft voor dat uitsluitend veilige producten op de markt mogen worden gebracht en verhandeld. Het geeft een algemene (open) definitie voor wat als onveilig moet worden beschouwd. Ook geeft het een definitie van het begrip ‘product’. Kort samengevat gaat het daarbij om voor consumenten bestemde producten, maar ook om producten waarvan, zonder dat zij expliciet bestemd zijn voor consumenten, redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij door de consument kunnen worden gebruikt. Bij dit laatste kan worden gedacht aan bijvoorbeeld professionele apparatuur die in een gewone winkel wordt aangeboden. 
De richtlijn dient als juridisch vangnet voor die producten die niet onder een meer specifieke productveiligheidsrichtlijn of -richtlijnen vallen. Die specifiek richtlijnen hebben weliswaar vaak brede scopes, maar voor vele soorten producten bestaan geen specifieke productveiligheidsrichtlijnen.
Voor die groepen geldt dus de Richtlijn algemene productveiligheid. We noemen dergelijke product groepen in EU-verband 'niet-geharmoniseerd'

De Richtlijn algemene productveiligheid is in Nederland geïmplementeerd in de Warenwet artikel 18 onder a en artikel 18a (handelsverbod onveilige producten) en in het Warenwetbesluit algemene productveiligheid (verplichtingen distributeurs, importeurs en fabrikanten).

Aandacht voor risicogroepen in productveiligheidsregelgeving

In productveiligheidswetgeving is vooral aandacht voor kinderen als risicogroep. Andere risicogroepen zoals ouderen en jongere volwassenen worden door de wetgever niet expliciet genoemd. Wel worden ze genoemd in veiligheidseisen van productnormen.

De Europese Commissie kan samen met de lidstaten normen (technische specificaties) aanwijzen voor die productgroepen die niet onder een specifieke productveiligheidsrichtlijn vallen. Dit is gedaan voor een groot aantal soorten consumentenproducten. Als consumentenproducten aan deze (vrijwillige) normen voldoen, hebben zij het (wettelijk) vermoeden te voldoen aan de algemene productveiligheidseis. De Europese Commissie is bevoegd om voor een specifiek product tijdelijk nadere veiligheidsregels te stellen via een zogenoemde spoedmaatregel. Wanneer nodig kan dit een permanent verbod worden zoals bij ftalaten in speelgoed.

Naast de algemene veiligheidseis voor consumentenproducten, legt de APV fabrikanten, importeurs, handelaren en lidstaten een aantal aanvullende verplichtingen op.
Zo zijn fabrikanten, wanneer ze kennis hebben van (ernstige) productrisico’s, verplicht om de consumentenproducten waarvoor dit geldt uit de markt te halen, de consument te informeren en een melding te doen bij de verantwoordelijke toezichthouder. In Nederland is dat de NVWA.
Lidstaten moeten in dat geval ook de consument informeren en de overige lidstaten waarschuwen via het RAPEX-systeem. Rapid Alert System for dangerous non-food products (RAPEX). Het RAPEX-systeem is een Europees systeem voor snelle uitwisseling van informatie over onveilige consumentenproducten tussen de lidstaten. Naast het RAPEX-systeem bestaat het ICSMS-systeem, waarin op termijn alle resultaten van door lidstaten onderzochten producten zijn opgenomen.

ICSMS

Het ICSMS-systeem heeft een publiek en besloten deel. ICSMS biedt alle gebruikers de mogelijkheid om doelgericht te zoeken. Er kan bijvoorbeeld gezocht worden naar afzonderlijke producten, maar ook naar testresultaten van hele productgroepen.

Bekijk >

Men krijgt testresultaten van producten uit bepaalde landen, informatie over producten die onder bepaalde richtlijnen vallen, meldingen van beschermingsclausules, RAPEX-meldingen, maar ook informatie over fabrikanten, importeurs en handelaars. Een strikt systeem van toegangsrechten garandeert de vertrouwelijkheid. Systeem en gegevens zijn uiteraard beveiligd tegen onrechtmatige toegang.

2.2.2. Wetgeving algemene chemische productveiligheid

Alle (consumenten)producten bevatten of bestaan geheel uit chemische stoffen. Om risico’s van chemische stoffen te beheersen, is er wetgeving om onder andere de consument te beschermen tegen deze chemische stoffen tijdens het gebruik van de producten. Er is algemene wetgeving, gericht op risicobeheersing van alle chemische stoffen die zijn verwerkt in voorwerpen, of die in de handel zijn gebracht als eindproduct (REACH-verordening) en gericht op het indelen en etiketteren van chemische stoffen en mengsels zoals schoonmaakmiddelen (CLP-verordening). Ook is er wetgeving gericht op risicobeheersing van chemische stoffen in bepaalde specifieke productgroepen als cosmetica en speelgoed.

Wetgeving chemische productveiligheid

De Europese REACH-verordening beoogt de chemische veiligheid van stoffen, mengsels en voorwerpen te borgen. REACH staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restricties van Chemische stoffen. Hierin is onder meer geregeld dat degene die chemische stoffen op de markt brengt, deze moet registreren en een veiligheidsbeoordeling moet (laten) uitvoeren. Ook is de toepassing van bepaalde stoffen in producten beperkt of verboden. Naast de veiligheidsbeoordeling dient de fabrikant of importeur op basis van de CLP-verordening (Classificatie Labelling and Packaging) de stof of het mengsel te classificeren en te etiketteren. De gevaarinformatie zal in de meeste gevallen gebaseerd zijn op de REACH-verordening. De belangrijkste elementen op het etiket zijn informatie over gevaren in de vorm van pictogrammen, signaalwoorden, aanduidingen et cetera en informatie over de hoeveelheid van de chemische stof in de verpakking. Daarnaast kan aanvullende informatie verplicht zijn vanwege andere wetgeving. Een aantal chemische stoffen mogen volgens de REACH-verordening niet of slechts zeer beperkt in consumentenproducten worden toegepast.

Specifieke wetgeving voor chemische productveiligheid
Specifieke veiligheidswetgeving wordt gemaakt omdat er specifieke risico’s spelen bij bepaalde productcategorieën of bepaalde gebruikers. Een aantal voorbeelden zijn speelgoed, biociden en cosmetica.
De Speelgoedrichtlijn bevat een aparte paragraaf over chemische productveiligheid, omdat kinderen, met name baby’s, veelvuldiger en intensiever in aanraking kunnen komen met schadelijke chemische stoffen (sabbelen, bijten, likken) en ook al bij lagere doses risico voor de gezondheid kunnen ondervinden.
Bij materialen waarin voedsel wordt verpakt of die gebruikt worden in combinatie met voedsel, speelt vooral het probleem van de migratie van chemische stoffen uit de verpakking naar het voedsel. Daarom bestaat er een aparte Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen waarin chemische eisen voor deze materialen zijn geregeld. Omdat er zoveel verschillende verpakkingen zijn, zijn er specifieke wettelijke regels gesteld voor keramiek, kunststof verpakkingen, folies en geregenereerde cellulose, metaal, papier en karton. Het merendeel van de regels voor genoemde verpakkingsmaterialen en gebruiksartikelen is momenteel nog niet Europees geharmoniseerd. Een uitzondering vormen kunststof verpakkingsmaterialen, keramische materialen en cellulose film, waarvoor wel Europees geharmoniseerde normen zijn vastgesteld.

Voor biociden is bijzondere Europese regelgeving (de Biocidenverordening), vanwege de bijzondere kenmerken van deze producten. Het gaat hier om producten die één of meer werkzame stoffen bevatten tegen schadelijke organismen, zoals stoffen die een bacteriëndodende werking hebben. Via een speciale beoordeling moet blijken of deze stoffen geen risico vormen voor de gezondheid of het milieu. Deze verordening regelt een voor deze stoffen voorgeschreven toelatingsprocedure.

2.2.3. Wetgevend kader CE-gemarkeerde consumentenproducten

Naast de algemene productveiligheidseisen is er Europese regelgeving voor productgroepen met specifieke risico’s, zoals elektrotechnische producten, cosmetica en speelgoed. Vanaf 1985 zijn er zogenoemde nieuwe aanpak richtlijnen opgesteld, die gaan over de veiligheid van specifieke productgroepen als speelgoed of elektrische apparaten. Elk product dat voldoet aan de essentiële eisen van een nieuwe aanpak richtlijn en daarom rechtmatig is voorzien van een CE-markering, heeft vrije toegang tot de Europese markt. CE staat voor Conformité Européenne.

Wetgevend kader CE-gemarkeerde producten

Richtlijnen

Wetgeving die zich richt op de veiligheid van specifieke productcategorieën zoals bijvoorbeeld speelgoed of elektrische apparaten, valt onder de vanaf 1985 ontwikkelde nieuwe aanpak richtlijnen. Europese Commissie: De "Blauwe Gids" voor de tenuitvoerlegging van EU-productvoorschriften, 15 juli 2015. Productspecifieke richtlijnen zijn gemaakt omdat zich bij een bepaalde productgroep specifieke productrisico’s kunnen voordoen. De wettelijk voorgeschreven keuringsprocedures (conformiteitsprocedures) voor deze producten zijn hierop afgestemd. De procedures voor deze keuringen kunnen variëren. Voor speelgoed bijvoorbeeld is een zogenoemde eigenverklaring van de producent voldoende, terwijl voor gastoestellen zwaardere procedures gelden; de zogeheten typekeuring. Om de zwaardere (keurings-) procedures uit te voeren, moeten producenten gebruik maken van keuringsinstellingen die door de lidstaten (in Nederland door de minister van VWS) zijn aangewezen en aangemeld bij de Europese Commissie, zogeheten Notified Bodies.

Analoog aan de beschrijving van de Europese conformiteitprocedures die Europees breed zijn geïmplementeerd, kent Nederland nationale conformiteitprocedures die voortkomen uit nationale wetgeving. Deze zijn geregeld in het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS). Hierin wordt voor attracties een nieuwbouwkeuring en een periodieke jaarlijkse keuring voorgeschreven, Sinds 25 mei 2016 is de periodiciteit van het keuringsregime in het WAS voor attracties gewijzigd. Voor attracties die niet bestemd zijn voor permanente installatie geldt nog steeds een jaarlijkse keuring. Voor permanent geïnstalleerde attracties geldt een jaarlijkse, twee- of driejaarlijkse keuring. De periodiciteit hang af van de criteria gesteld in de Nadere regels attractie- en speeltoestellen. Europese Commissie: De "Blauwe Gids" voor de tenuitvoerlegging van EU-productvoorschriften, 15 juli 2015. en voor speeltoestellen een eenmalige keuring. Ook kan er bij eenvoudig ontworpen speeltoestellen sprake zijn van keuring van een typekenmerkend monster. De keuringsinstellingen die dit mogen doen, worden aangewezen door de minister van VWS; de zogeheten aangewezen (keurings)instellingen (AKI’s).

Bekijk overzicht CE-richtlijnen RVO.nl >

De product-specifieke richtlijnen bevatten soms heel concrete kwantitatieve eisen, soms meer algemene kwalitatieve eisen. Ook staan concrete producteisen in de geharmoniseerde Europese productnormen.

Inmiddels is ongeveer 85% van de totale handelsomzet in producten binnen de EU genormaliseerd. De richtlijnen zijn in Nederland geïmplementeerd in de Warenwet, of op basis van de Warenwet, in algemene maatregelen van bestuur en in ministeriële regelingen.

Kleine fabrikanten beschikken soms niet over voldoende informatie over regelgeving. Daardoor voldoen zij soms (onbewust) niet aan specifieke regelgeving. Bijvoorbeeld wanneer zij een CE-markering aanbrengen op consumentenproducten die niet (helemaal) voldoen aan de vereisten.

Fabrikanten en EU-importeurs zijn verantwoordelijk voor het in de handel brengen van veilige consumentenproducten. Die veiligheid moeten ze kunnen aantonen. Dat gebeurt door te voldoen aan eisen van specifieke regelgeving (bijvoorbeeld de Cosmeticaverordening), van geharmoniseerde Europese productnormen, of door te voldoen aan andere algemeen bekende (nationale) normen of bronnen. De belangrijkste zijn de geharmoniseerde Europese normen.

2.2.4. Nationale regelgeving

Het overgrote deel van de productveiligheidsregelgeving is Europees geharmoniseerde regelgeving. Voor een beperkt aantal toezichtgebieden is (nog) geen Europese regelgeving. Dit is het geval bij attractie- en speeltoestellen, tatoeagekleurstoffen, kinderbedden en –boxen, draagbaar klimmateriaal, contactdozen voor huishoudelijk gebruik en bepaalde voedselcontactmaterialen.

Er zijn soms nationale conformiteitprocedures geregeld, bijvoorbeeld in het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (WAS). De toezichthouder controleert dan de uitvoering van deze procedures door de daartoe aangewezen instanties.

Tweedelijnstoezicht op AKI’s en Nobo’s

Voor bepaalde producten wordt in de wetgeving een conformiteitsprocedure voorgeschreven. Deze procedures dienen ertoe bij te dragen dat het - daarna - in de handel gebrachte product voldoet aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. Deze procedures worden uitgevoerd door de minister van VWS aangewezen keuringsinstellingen. Als deze instellingen procedures uitvoeren die worden voorgeschreven in zuiver nationale (dus niet-Europese) wetgeving, dan heten ze Aangewezen Keuringsinstellingen (AKI’s). Instellingen die procedures uitvoeren die zijn voorgeschreven in Europese wetgeving, heten Notified Bodies (NoBo’s). De NVWA houdt toezicht op deze keuringsinstanties voor in de wet beschreven keuringen van producten. Dit zogenoemde tweedelijnstoezicht vindt plaats met hulp van audits en bijbehorend documentenonderzoek. Bovendien houdt de NVWA toezicht op de veiligheid van op de markt aangeboden producten door middel van controles en door monstername, soms in combinatie met laboratoriumonderzoek. De signalen volgend uit deze productgerichte controles spelen een belangrijke rol in de uitvoering van het toezicht op de instanties. Ook certificatie en/of accreditatie van het kwaliteitssysteem van de AKI’s wordt meegenomen bij het uitoefenen van het toezicht.

2.3. Kennis van wetgeving

Het vinden van informatie over en het begrijpen van nationale wetgeving van andere EU-landen ervaart het bedrijfsleven als belemmerend om te voldoen aan wet- en regelgeving. Uit Europees vergelijkend onderzoek blijkt dat de kennis over wetgeving bij de Nederlandse detailhandel relatief groot is, vergeleken met de gemiddelde aanwezige kennis bij de Europese detailhandel. Flash Eurobarometer 359, Resultaten voor Nederland. Retailer’s attitudes towards cross-border trade and consumer protection, TNS Political & Social (at the request of the European Commission), 6 june 2013.

2.4. Samenwerking

Nationale toezichthouders werken breed samen onder leiding van de NVWA in het kader van de Europese Verordening inzake Accreditatie en Markttoezicht voor het verhandelen van consumentenproducten (765/2008/EG). Europees Parlement en de Raad: Verordening (EG). Nr. 765/2008, tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93, 9 juli 2008.EU monitor. Binnen dit samenwerkingsverband worden onder andere nationale toezichtplannen afgestemd en gedeeld met de Europese Commissie. Ook dragen de groepsleden bij aan de ontwikkeling van Europese strategieën voor het markttoezicht op internethandel en aan de evaluatie van markttoezicht en buitengrenscontroles door de lidstaten. 

Toezichthouders betrokken bij consumentenproducten

Voor consumentenproducten is de NVWA niet de enige toezichthouder. Op het gebied van bijvoorbeeld verkeersveiligheid, energie, milieu en gezondheid- en arbeid-gerelateerde aspecten zijn er andere toezichthouders voor consumentenproducten. Dit toezicht betreft veelal andere regelgeving. Onderstaande figuur geeft een overzicht van deze toezichthouders.

Toezichthouders betrokken bij non food consumentenproducten
Figuur 3 Toezichthouders betrokken bij consumentenproducten.

2.5. EU-ontwikkelingen

De EU-lidstaten discussiëren momenteel over de reikwijdte van REACH en de relatie/overlap met specifieke productwetgeving. De vraag is of REACH bijvoorbeeld niet alle eisen gesteld aan chemische stoffen moet omvatten die nu nog op verschillende manieren in specifieke regelgeving zijn opgenomen.

De Europese Commissie discussieert ook over de huidige wettelijke eisen voor chemische stoffen in voedselcontactmaterialen. Binnen enkele jaren worden de eisen waarschijnlijk aanzienlijk strenger, bijvoorbeeld voor lood en cadmium. Mogelijk worden er ook (meer) eisen gesteld aan andere (zware) metalen als antimoon, arseen, barium, chroom, kobalt, kwik, nikkel, aluminium, selenium en minerale oliën.

Ook probeert de Europese Commissie al enige jaren criteria op te stellen voor het gebruik van hormoonverstorende stoffen (in consumentenproducten). Sinds het voorjaar van 2016 zijn criteria voor biociden en gewasbeschermingsmiddelen uitgewerkt, maar nog niet vastgesteld. Voor andere type chemische stoffen zijn nog geen voorstellen gedaan. In de toekomst moet worden bezien wat de gevolgen zijn voor andere regelgeving waaronder REACH. Europese Commissie: Endocrine disruption. Bekijk >