4. Hoe veilig zijn consumentenproducten in Nederland?

Bij productveiligheid gaat het over de mogelijke gezondheidsschade (risico’s) die het gebruik van consumentenproducten met zich mee kan brengen. Jonge kinderen zijn de belangrijkste risicogroep voor onveilige consumentenproducten. Product- en gedragsfactoren spelen in samenhang een rol bij de veiligheid van consumentenproducten. Daarnaast kunnen trends en ontwikkelingen extra of nieuwe risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengen en/of gevolgen hebben voor het toezicht van de NVWA.

De NVWA beschrijft aan de hand van een aantal indicatoren hoe het staat met de veiligheid van consumentenproducten in Nederland.

4.1. Gezondheidsschade en consumentenproducten

Gezondheidsschade als gevolg van een onveilig product laat zich indelen in acute en langetermijn-gezondheidsschade.

VeiligheidNL heeft op verzoek van de NVWA op basis van letsel- en meldingenregistraties de belangrijkste gezondheidsgevaren benoemd. Het gaat hier veelal om acute gezondheidsgevaren. De top 3 bestaat uit letsels en meldingen ten gevolge van:

De belangrijkste oorzaken van ongevallen

VeiligheidNL heeft op verzoek van de NVWA op basis van eerder genoemde registraties van ongevallen die zijn gerelateerd aan consumentenproducten, een top 7 samengesteld van gezondheidsgevaren of bedreigingen waaraan een consument wordt blootgesteld en het totaal aantal geregistreerde ongevallen en meldingen waarbij het genoemde gevaar tot uiting is gekomen (zie tabel 1). Cotterink, M., Draisma, C.: Risicovolle consumentenproducten, VeiligheidNL, maart 2015 en update tabellen 1 en 2 in oktober 2016. Daarvoor is gebruik gemaakt van haar eigen registraties en die van anderen.

Tabel 1 Gezondheidsgevaren waarbij jaarlijks de meeste letsels worden gemeld of geregisteerd.

(VeiligheidNL, 2015).

De ongevalscijfers worden uitgedrukt in aantallen slachtoffers die door de Spoedeisende Hulp (SEH)-afdeling in een ziekenhuis zijn geregistreerd of waarover door een arts contact is geweest met het NVIC. Een belangrijke kanttekening daarbij is dat de ongevalsregistraties voornamelijk betrekking hebben op acute effecten en zeer beperkt op chronische of langetermijneffecten. Deze laatste zijn vaak lastig vast te stellen en worden daardoor ook niet systematisch bij gehouden.

Een nadere detaillering van de gegevens laat zien dat niet-gemotoriseerde vervoersmiddelen (onder andere vallen van een fiets), sportartikelen (in aanraking komen met bewegende delen/objecten) en cosmetica (overgevoeligheidsreacties) de meest voorkomende consumentenproducten zijn die in de privésfeer leiden tot gezondheidsschade.

De belangrijkste risicoproducten

In tabel 2 wordt per soort gezondheidsgevaar aangegeven welke productgroepen de grootste aantallen slachtoffers tot gevolg hadden. In de laatste 2 kolommen worden indicaties gegeven van de ernst van het ongeval. Daarbij wordt voor de 2 hoogste letselniveaus weergegeven wat het percentage slachtoffers is in de grootste doelgroep. Van de gezondheidsrisico’s van de consumentenproducten waarvan vragen/meldingen bij het NVIC (over vergiftigingen) of cosmeticaklachten (over overgevoeligheidsreacties en allergische reacties) zijn geregistreerd, is geen ernst van het letsel bekend.

Uit de tabel blijkt dat de grootste risicogroep bij de meeste producten weliswaar de leeftijdsgroep van 3-14 jaar is, maar de meest ernstige letsels –behalve bij speeltoestellen en baby- en kinderartikelen- vooral voorkomen bij de leeftijdsgroep ouder dan 75 jaar.

Producten kunnen leiden tot meerdere typen gezondheidsgevaren. Wanneer van een productgroep alle aantallen slachtoffers worden opgeteld, dan voeren niet-gemotoriseerde vervoermiddelen, zoals fietsen, skates en rolstoelen de lijst aan, gevolgd door sportartikelen en cosmetica.

Naast de SEH-behandelingen vormen de meldingen van overgevoeligheidsreacties en allergische reacties een substantieel aantal. Cosmetica en tatoeages en piercings worden genoemd als veroorzakers van overgevoeligheidsreacties en allergische reacties.

Tabel 2 Overzicht per gezondheidsgevaar van de productgroepen met de grootste aantallen SEH’s of klachten/meldingen

(VeiligheidNL, 2015)

4.2. Risicogroepen en risicobewustzijn

Consumenten zijn zich over het algemeen goed bewust van de risico’s van acute gezondheidsgevaren bij het gebruik van consumentenproducten. Dit risicobewustzijn is wel afhankelijk van factoren als leeftijd, inschattingsvermogen, ervaring, informatiepositie en gebruiksomstandigheden.

Omdat de ene gebruikersgroep beter in staat is om een onveilig product te herkennen en beter weet hoe vervolgens met dat onveilige product om te gaan dan de andere, maakt de wetgeving onderscheid tussen kwetsbare groepen. Risicogroepen als ouderen en jong volwassenen noemt de wetgever niet expliciet. Wel worden ze genoemd in de veiligheidseisen van productnormen. De belangrijkste risicogroep voor onveilige consumentenproducten is die van jonge kinderen.

Informatie over productnormen

De veiligheidseisen die in de nieuwe aanpak richtlijnen zijn opgenomen, beperken zich in de meeste gevallen tot de essentiële veiligheidseisen. Invulling met concrete product- en onderzoekeisen vindt plaats in geharmoniseerde Europese Productnormen. Dit zijn door de Europese normalisatie instelling CEN ontwikkelde normen, vaak in opdracht van de Europese Commissie. Na positieve beoordeling door de Europese Commissie op deugdelijkheid worden deze productnormen aangewezen en worden de referentienummers ervan gepubliceerd in het publicatieblad van de Europese Unie, en zijn daarmee meteen rechtsgeldig.
Wanneer voldaan wordt aan deze niet-wettelijk verplichte productnormen, dan levert dat het vermoeden op dat het product voldoet aan de wettelijke essentiële veiligheidseisen die in de richtlijnen zijn gesteld. De term ‘vermoeden van overeenstemming’ wordt gebruikt omdat de normen vanwege hun vaak lange ontwikkeltijd niet altijd de laatste stand van de techniek weergeven, omdat inzichten over minimale veiligheidsniveaus kunnen wijzigen, bijvoorbeeld op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten, of omdat een fabrikant anderszins kan aantonen dat het product veilig is.

Als normen ontbreken of niet meer voldoen

Voor innovatieve producten zijn de geldende productnormen niet altijd geschikt of toereikend. De wetgever biedt daarom de mogelijkheid aan de fabrikant om andere, nieuwe technische oplossingen toe te passen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau geven. In dat geval moet de fabrikant kunnen aantonen dat zijn product voldoet aan de verplichte essentiële veiligheidseisen, waarbij niet de geldende productnorm hoeft te worden of kan worden gebruikt.
Daarnaast zijn er niet voor elke productcategorie specifieke productnormen ontwikkeld of beschikbaar. Om aan te tonen dat zo’n product wel aan de essentiële veiligheidseisen voldoet, dient de fabrikant onderzoek te laten verrichten. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van andere algemeen bekende (geaccepteerde) bronnen waaruit het veiligheidsniveau van het product kan worden afgeleid, zoals bijvoorbeeld Amerikaanse normen.

De consument herkent situaties waarbij mogelijke langetermijn-gezondheidsschade kan ontstaan meestal niet. Uit onderzoek blijkt dat het merendeel van de Nederlandse consumenten behoefte heeft aan informatie over de gezondheidsrisico’s van consumentenproducten waarin chemische stoffen zijn verwerkt.

Lees meer

Onkenhout, Hans et al: Informatiebehoefte omtrent producten in en om het huis, waarin chemische stoffen zitten (intern), Ruigrok / Netpanel, VeiligheidNL, 12 december 2014.

Uit onderzoek blijkt dat het merendeel van de Nederlandse consumenten behoefte heeft aan informatie over de gezondheidsrisico’s van consumentenproducten waarin chemische stoffen zijn verwerkt. Over het algemeen beseffen consumenten dat er chemische stoffen zitten in schoonmaak- en klusproducten. Dit geldt minder voor  producten als textiel, meubels, verzorgingsproducten, cosmetica en speelgoed.
Wanneer nagedacht wordt over producten in huis die chemische stoffen bevatten, dan maakt men zich de meeste zorgen over risico’s bij het gebruik door kinderen: jonge kinderen worden een kwetsbare groep gevonden die risico’s moeilijk of niet kan inschatten. Zo zijn er signalen dat kinderen (verpakkingen van) huishoudchemicaliën en doe-het-zelfproducten aantrekkelijker vinden dan speelgoed. VeiligheidNL: Helft jonge kinderen verkiest huishoudchemicaliën boven speelgoed, 2015. Dit wordt door ouders en andere consumenten samen met de eigen gezondheid als belangrijkste reden genoemd om beschermende maatregelen te nemen. Voor zichzelf schatten (volwassen) consumenten risico’s over het algemeen lager in.

Risicocommunicatie en voorlichting door de overheid verhogen het risicobewustzijn van de consument en het inzicht in eigen handelingsperspectief.

Openbaarmaking van toezichtresultaten kan de consument bewust maken van de risico’s van (het gebruik van) consumentenproducten, het geeft inzicht welke producten niet voldoen en geeft de consument handelingsperspectief.
Ook is de beschikbare informatie en wijze waarop door de (sociale) media, NGO’s en in de Tweede Kamer wordt gesproken over de risico’s van consumentenproducten van invloed op het risicobewustzijn van de consument.

Uit analyses blijkt dat een groot deel van de ongevallen met acute gezondheidsschade waarbij een consumentenproduct betrokken is, wordt veroorzaakt door het gedrag van de consument of door de omstandigheden waarin het product wordt gebruikt.

4.3. Trends en ontwikkelingen

Verbeterde analysemethoden

Onderzoek en verbeterde analysemethoden bieden steeds meer inzicht in mogelijke gevaren van bepaalde chemische stoffen en onze blootstelling daaraan. Zo is formaldehyde vrij recent als kankerverwekkend geclassificeerd en is er toenemende aandacht voor het feit dat chemische stoffen uit (gerecycled) papier via de verpakking in voedingsmiddelen terecht kunnen komen.

Inzicht in de cumulatieve effecten van risico’s uit verschillende bronnen.

Consumenten gebruiken steeds vaker meer (verschillende) consumentenproducten gedurende langere tijd. Ook wordt steeds duidelijker dat er sprake kan zijn van een optelsom van gezondheidsrisico’s. Er zijn onderzoeken naar mogelijke stapeling van gezondheidsschade doordat steeds meer (verschillende) consumentenproducten gedurende langere tijd door consumenten worden gebruikt (blauw licht bij gebruik van smartphone, computer, interactieve televisie, gehoorschade door herhaaldelijke blootstelling aan een te hoog geluidsniveau). Ook wordt het gebruik van consumentenproducten die dezelfde chemische stof bevatten, onderzocht, zoals conserveermiddelen in cosmetica en in schoonmaakmiddelen.

Nieuwe technologie

Het gebruik van nieuwe en nog niet volledig geteste technologie in consumentenproducten, zoals electrotechnische producten, kan voor extra of nieuwe risico’s zorgen waarvan op dit moment de gevolgen voor de volksgezondheid nog niet of niet goed zijn in te schatten. Bijvoorbeeld (de gevolgen van) het gebruik van niet voor consumptiegebruik geschikte plastics bij het maken van drinkbekers met een 3D-printer.

Hormoonverstorende stoffen

Er is op Europees niveau nog veel discussie over de vraag welke chemische stoffen hormoonverstorend zijn. Voor biociden en gewasbeschermingsmiddelen zijn  criteria voorgesteld, voor andere chemische stoffen nog niet.  Hormoonverstorende stoffen in consumentenproducten zullen, gelet op de grote maatschappelijke impact door de vele toepassingen van deze stoffen, naar verwachting de komende jaren steeds meer aandacht vragen van het toezicht.

Lees meer

Al verschillende jaren is de Commissie bezig met criteria op te stellen voor hormoonverstorende stoffen. Op 15 juni 2016 heeft de Commissie de conceptcriteria voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden gepubliceerd. Daarnaast wordt in de toekomst mogelijk bekeken wat de gevolgen zijn voor andere regelgeving, waaronder REACH. Europese Commissie: Endocrine disruption. Bekijk > Er is een tabel beschikbaar van stoffen die onder andere in REACH zijn gereguleerd en die mogelijk vallen onder de criteria van hormoonverstoring.

Meer info Of WHO >

Gebruik van nanodeeltjes in consumentenproducten

De toepassing van nanotechnologie in consumentenproducten zet door. Het identificeren en kwantificeren van nanodeeltjes in consumentenproducten is nog lastig en er is nog gebrek aan kennis over de veilige toepassing ervan. NVWA, Nanotechnologie. Bekijk >

Mondiaal aanbod

Het aanbod en de omvang van import-consumentenproducten uit landen buiten de EU, vooral uit Azië, blijft groeien. Toezicht op EU-importeurs wordt daarom nog belangrijker.

De volgende meer algemene maatschappelijke trends zijn betekenisvol voor het borgen van de productveiligheid: De trends zijn in willekeurige volgorde opgenomen.

Hergebruik

Een belangrijke maatschappelijke trend is het gebruik van tweedehandsproducten en hergebruik van materialen en consumentenproducten. Bij het gebruik van tweedehandsproducten zijn de risico’s gering omdat deze consumentenproducten al eerder in de handel waren. Een wijziging van een product kan echter risico’s veroorzaken bijvoorbeeld wanneer consumenten elektrotechnische producten zodanig aanpassen dat er een elektrische schok kan optreden.

Hergebruik brengt nieuwe uitdagingen met zich mee zoals het verwerken van oude producten tot grondstoffen voor nieuwe producten. Een voorbeeld daarvan is het toepassen van granulaat van autobanden in rubber infill in kunstgrasvelden of rubbertegels op speelplaatsen. Vergeleken met nieuwe grondstoffen is er bij gerecyclede grondstoffen meer kans op verontreiniging met ongewenste chemische stoffen. Voorbeeld hiervan is gerecycled papier dat gebruikt wordt voor verpakkingsmaterialen voor levensmiddelen en dat verontreinigd kan zijn met minerale oliën.

Gedeeld gebruik

Een andere trend is het delen van consumentenproducten via websites zoals PeerbyGo, Nextdoor (buurt-apps). Verantwoordelijkheidsverdeling (beheer) kan hier een rol spelen, bijvoorbeeld bij achterstallig onderhoud aan speeltoestellen die door een aantal buurtgenoten zijn aangeschaft. Dit kan leiden tot onveilige situaties.

Internethandel

Internethandel kan risico’s inhouden voor de productveiligheid omdat consumenten deze consumentenproducten ook kunnen bestellen in landen buiten Europa waar andere veiligheidseisen gelden. In de reguliere handel worden deze risico’s ondervangen doordat de importeur verantwoordelijk is voor het voldoen aan Nederlandse (of Europese) normen; bij rechtstreekse levering door een buitenlandse producent of handelaar bestaat deze borging niet. Door rechtstreekse levering aan de consument vallen de via het internet aangeboden consumentenproducten buiten het zicht van de NVWA. De NVWA onderzoekt de komende jaren de risico’s van op internet aangeboden consumentenproducten en past op basis hiervan haar handhavingsstrategie zo nodig aan.

Gebruik professionele apparaten

Consumenten kunnen steeds vaker professionele apparaten en consumentenproducten kopen of huren. Deze apparaten hebben meestal hogere vermogens; ze zijn zwaarder en groter. Het gebruik ervan verlangt ervaring en kennis, soms zelfs verplichte vakbekwaamheid. Het gebruik van deze apparaten kan daarom risicovol zijn als het ondeskundig gebeurt.

Transparantie en de betrokkenheid van burgers

Politiek en bestuur hebben in het kader van transparantie en betrokkenheid van burgers een toenemende behoefte om burgers te betrekken bij maatschappelijke processen. Burgers willen op hun beurt betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid. Dat kan gevolgen hebben voor productveiligheid. Zo leiden initiatieven van gemeenten om burgers een rol te geven bij de inrichting van de openbare ruimte met bijvoorbeeld speeltoestellen tot een discussie over wie verantwoordelijk is voor de veiligheid en het toezicht op de speeltoestellen in die ruimte. Dit heeft raakvlakken met de uitvoering van het toezicht door de NVWA omdat er mogelijk onduidelijkheid bestaat over de verantwoordelijkheidsverdeling.

Ontwikkelingen op korte termijn ten aanzien van risico’s per productgroep

Attractietoestellen

Er zijn geen bijzondere ontwikkelingen

Baby- en kinderartikelen

Geen relevante ontwikkelingen.

Biociden

  • Er worden steeds meer professionele producten via internet bereikbaar voor consumenten, terwijl voor gebruik van veel van die middelen vakbekwaamheid verplicht is. De aanschafdrempel bij aankoop via internet is laag. Het gebruik van deze professionele middelen in de privésfeer kan tot problemen leiden. Concentraties van werkzame stoffen zijn vaak hoger en voor gebruik is vaak vakbekwaamheid vereist.
  • Er is sinds 31 maart 2016 een verbod voor professioneel gebruik van alle gewasbeschermingsmiddelen (waaronder glyfosaat) op verhardingen buiten de landbouw. Bekijk Ctgb-website > Professioneel gebruik op overige (niet-verharde) terreinen buiten de landbouw is  verboden per 1 november 2017. Voor particulier gebruik is de doelstelling: een halvering van de verkoop van glyfosaat in 2016. In verband hiermee zal de voorlichting aan consumenten worden geïntensiveerd. Tweede Kamer: Kamerstuk 27858, nr. 347, vergaderjaar 2015-2016.

Cosmetica

  • Het aanbod aan cosmetische producten uit landen buiten de EU, met name uit China, blijft groeien. Toezicht op EU-importeurs wordt daarom belangrijker.
  • Fraude met cosmetische producten. Dure parfums worden nog steeds nagemaakt, terwijl er geen zekerheid is dat de samenstelling veilig is.
  • Het gebruik van decoratieve cosmetica vindt op steeds jongere leeftijd plaats. Omdat de huidige risicobeoordelingsmethoden voor cosmetica niet op jongeren is gericht, is het onduidelijk of deze toepassing van cosmetica voldoende veilig is.
  • Er is een toename van grensvlakproducten. Dat vergt meer aandacht van beleid en toezichthouders. Het gaat dan om cosmetische producten die tevens een medische, desinfecterende of gezondheidsfunctie hebben of die dit claimen en daarom vallen binnen de scope van meerdere wetten.
  • De toepassing van nanotechnologie in cosmetische producten zet door, terwijl er nog steeds geen volledige kennis is over veilige toepassing van nanomaterialen in consumentenproducten.

Chemische stoffen in consumentenproducten

  • Binnen de EU wordt discussie gevoerd over de reikwijdte van REACH en de relatie/overlap met specifieke productwetgeving. De vraag daarbij is of alle eisen aan chemische stoffen, die nu nog op verschillende manieren in specifieke regelgeving zijn opgenomen, in REACH zouden moeten worden opgenomen. Zweden wil REACH gebruiken om meer aandacht te krijgen voor gevaarlijke stoffen in textiel. Duitsland wil uitbreiding van de scope van REACH voor geïmporteerde voorwerpen.
  • Al verschillende jaren is de Commissie bezig met criteria op te stellen voor hormoonverstorende stoffen. Op 15 juni 2016 heeft de Commissie de conceptcriteria voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden gepubliceerd. Daarnaast wordt in de toekomst mogelijk bekeken wat de gevolgen zijn voor andere regelgeving, waaronder REACH. Europese Commissie: Endocrine disruption. Bekijk > Er is een tabel beschikbaar van stoffen die onder andere in REACH zijn gereguleerd en die mogelijk vallen onder de criteria van hormoonverstoring. Hormoonverstorende stoffen zullen de komende jaren nar verwachting steeds meer aandacht van het toezicht vragen, gelet op de grote maatschappelijke impact van deze stoffen.
  • Bij geïmporteerde voorwerpen die van buiten de EU komen, kunnen stoffen waarvan levering binnen de EU al langzaam is gestopt (vallende onder autorisatie) nog op de Europese markt worden gebracht. Deze maas in de wet dient op Europees niveau nog aangepakt te worden.

Draagbaar klimmaterieel

  • Er wordt al jaren gewerkt aan een verbetering van het veiligheidsniveau van de Europese normen voor ladders, trappen en opstapjes. Vanwege het uitblijven van resultaten bereidt een Europese werkgroep eisen voor conform de huidige inzichten en resultaten van risicobeoordelingen voor publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie. In dit verband wordt ook gewerkt aan een geaccepteerde adequate methode voor het onderzoeken van de glijweerstand van ladders.

Elektrotechnische producten

  • Nieuwe technologieën op elektrotechnische gebied dienen zich regelmatig aan en vragen om aanpassing van normen. Normen spelen een belangrijke rol in de uitvoering en handhaving van de wetgeving. Een voorbeeld is de technologische ontwikkeling van LED-lampen. Ook de toenemende behoefte aan ‘draagbare elektriciteit’ in bijvoorbeeld doe-het-zelf apparaten of smartphones leidt tot technische ontwikkelingen in energieopslag en randapparatuur.
  • Uit onderzoek naar gedrag van kinderen tussen  15 maanden en 5 jaar blijkt dat deze leeftijdsgroep steeds zelfstandiger wordt in het gebruik van elektrotechnische producten als bijvoorbeeld magnetrons, Robinson, Marla R. MSc et al, Behaviors of Young Children Around Microwave Ovens [Article], 71(5) Supplement 2, Proceedings of Forging New Frontiers, The 15th Annual Conference of the Injury Free Coalition for Kids:S534-S536, November 2011. smoothiemakers (blenders) en allerlei op afstand bestuurbare apparaten. Fabrikanten houden hier (nog) onvoldoende rekening mee. Wat dit betekent voor de veiligheid, is onbekend.
  • Wetgeving wordt steeds complexer. Elektrotechnische producten moeten aan steeds meer richtlijnen voldoen. Een koelkast moet bijvoorbeeld voldoen aan de Laagspanningsrichtlijn, de Richtlijn ecodesign, Energie-etiketteringsrichtlijn, Richtlijn elektromagnetische compatibiliteit, Richtlijn beperking van gevaarlijke stoffen en de Richtlijn radioapparatuur wanneer zend- en ontvangstmogelijkheden zijn ingebouwd.

Gastoestellen

  • De samenstelling van het aardgas gaat op termijn veranderen door de invoer van aardgas van buiten Nederland vanwege uitputting en vermindering van de gaswinning in Nederland. Er kunnen veiligheidsrisico’s ontstaan wanneer de eigenschappen van het geïmporteerde aardgas teveel afwijken. Met ingang van 2017 moeten toestellen die worden verhandeld, geschikt zijn of eenvoudig geschikt gemaakt kunnen worden voor de nieuwe aardgassamenstelling.

Machines

  • Het wordt steeds eenvoudiger om partijen machines vanuit derde landen via internet te bestellen en aan te bieden op de Europese markt. Hierdoor neemt de kans toe dat machines worden geïmporteerd door onoordeelkundige (gelegenheids)importeurs.
  • Consumenten kunnen steeds meer beschikken over professionele apparaten, hetzij door aankoop, hetzij door huur. Deze apparaten hebben meestal hogere vermogens, zijn zwaarder en vragen ervaring en kennis in het gebruik en de omstandigheden waarin het gebruik plaats moet vinden. Ze zijn daarom relatief risicovol.
  • Innovatieve producten die nu op de Europese markt worden aangeboden, kunnen mogelijk nog niet-geïdentificeerde intrinsieke gevaren bevatten. Innovatief zijn zogeheten multitools met een hoogfrequente, oscillerende zaagbeweging, die hierdoor een redelijke beveiliging biedt tegen zaag- en snijwonden. Voorbeelden van innovatieve producten met mogelijk nog niet=geïdentificeerde intrinsieke gevaren zijn 3D-printers en drones.
  • Innovatieve producten, die nu op de Europese markt worden aangeboden, kunnen mogelijk nog niet geïdentificeerde intrinsieke gevaren bevatten. Innovatief zijn zogeheten multitools met hoogfrequente, oscillerende zaagbeweging, die vanwege deze zaagbeweging een redelijke beveiliging bieden tegen zaag- en snijwonden. Voorbeelden van innovatieve producten met mogelijk nog niet geïdentificeerde intrinsieke gevaren zijn 3D-printers en drones.

Voedselcontactmaterialen

  • In de EU is er discussie over de huidige wettelijke eisen voor chemische stoffen in voedselcontactmaterialen. Binnen enkele jaren worden de eisen waarschijnlijk aanzienlijk strenger, voor lood en cadmium. Mogelijk worden er ook eisen gesteld aan andere zware metalen, als antimoon, arseen, barium, chroom, kobalt, kwik, nikkel, aluminium en selenium.
  • In de EU wordt verder gesproken over de vraag of het verbod op polycarbonaat babyflesjes uit zou moeten worden gebreid naar andere producten waarin Bisfenol A zit. Dit is nodig omdat enkele landen, bijvoorbeeld Frankrijk, al een verbod hebben. Ditat wordt gezien als niet bevorderlijk voor de vrije handel op de interne markt. Door toenemende kennis over stoffen die mogelijk een hormoonverstorende werking hebben, zijn meer van dit soort discussies te verwachten.
  • Nanotechnologie kan ook worden gebruikt in sommige voedselverpakkingen en -containers. Zo worden nanozilverdeeltjes gebruikt om hun antibacteriële eigenschappen. Deze deeltjes kunnen naar voedsel migreren en vervolgens in het lichaam terechtkomen. Er is meer kennis nodig over de mogelijke risico’s van nanomaterialen.
  • De toegenomen focus op gezondheid en voedselkwaliteit leidt tot meer aandacht voor onder meer de houdbaarheid van voedsel. ABN-AMRO: Verpakkingsmiddelenindustrie, 6 mei 2013. Hierbij speelt de keuze voor het soort verpakkingsmateriaal een belangrijke rol.
  • Er is een tendens naar duurzamere verpakkingen. Er wordt een groei verwacht van 20 tot 30% in 2020. Zo zijn er verpakkingen op basis van zetmeel, gewonnen uit aardappels en mais. Ook is er meer aandacht voor het recyclen van gelamineerde verpakkingen. Bij beide ontwikkelingen is het van belang dat de industrie aandacht heeft voor de veiligheids- en gezondheidsaspecten.

Persoonlijke beschermingsmiddelen

  • Op 31 maart 2016 is de Verordening (EU) 2016/425 inzake persoonlijke beschermingsmiddelen gepubliceerd. Deze vervangt de Europese PBM-richtlijn. De verordening maakt geen onderscheid meer tussen professioneel gebruik en gebruik door consumenten. In de praktijk betekent het dat ook ovenhandschoenen voor privégebruik als persoonlijk beschermingsmiddel worden aangemerkt. De nieuwe PBM-erordening kent een transitie-periode van twee jaar. De Richtlijn 89/686/EEG wordt ingetrokken op 21 april 2018. Per dezelfde datum treedt de verordening in werking, met uitzondering van de artikelen 20 t/m 36 en artikel 44 die op 26 oktober 2016 in werking treden. Artikel 45, lid 1, treedt in werking op 21 maart 2016.
  • De periode van uitsluitend reactief toezicht sinds 2008 wordt beëindigd. Op verzoek van het ministerie van VWS wordt in 2016 gestart met proactief toezicht op, en voorlichting en communicatie over gehoorbescherming vanwege het convenant ‘Preventie gehoorschade muzieksector’. Voorafgaand daaraan onderzocht de NVWA in samenwerking met de Nationale Hoorstichting, in 2015/2016het functioneren van gehoorbescherming tijdens concerten. NVWA: Herijking van het toezicht op persoonlijke beschermingsmiddelen, (intern), 30 juni 2015.

Speelgoed

  • Er is een toename van speelgoed dat met kleine batterijtjes, zoals knoopcellen, wordt gevoed. Inslikken van knoopcellen kan inwendige verwondingen veroorzaken en leiden tot verstikking. Er is door de Europese Commissie een campagne gevoerd om het publiek te waarschuwen voor de gevaren van knoopcellen.
  • De eisen voor het geluidsniveau van speelgoed zijn verscherpt om gehoorbeschadiging op jonge leeftijd te voorkomen. Daarmee wordt het risico op gehoorschade door gebruik van dit soort producten verkleind.

Speeltoestellen

  • Natuurlijk spelen in een stedelijke omgeving is een relatief nieuw fenomeen. Het gaat hierbij om speeltoestellen die zijn gemaakt van natuurlijke materialen en speelplaatsen die in een natuurlijke omgeving zijn geplaatst. De veiligheidsbeoordeling door de AKI’s blijft hier een belangrijke veiligheidsborging.
  • Kinderen brengen minder tijd door met buiten spelen en het geboortecijfer neemt al jaren af, zodat er minder behoefte is aan nieuwe speeltoestellen. Hierdoor, en door de economische crisis, hebben gemeenten bezuinigd op de aanschaf van speeltoestellen, en op het beheer door verwijdering van speeltoestellen. Stad en Groen: Workshop; het nieuwe spelen. Krimpende economie maar groeiende speelplaatsen? Bekijk >
  • Mede als gevolg van het terugtreden van gemeenten is er een toename van burgerinitiatieven die zijn gericht op plaatsing en onderhoud van speeltoestellen in de openbare ruimte. Vraag is wat dergelijke initiatieven (gaan) betekenen voor het toezicht van de NVWA.
  • De innovatie van speeltoestellen richt zich momenteel voornamelijk op interactief gebruik van speeltoestellen met computergame-achtige elementen. Een voorbeeld is een spel waar kinderen bouwen met blokken die gaan trillen bij harde geluiden en kalmeren na aanraking. Bij een ander spel lopen kinderen in een ‘woud van bomen’ waarin ze elkaar via LED-lampjes kunnen aanvallen, mits ze sierlijk bewegen. C. van Uffelen: Spelen is meten, TU Delft Integraal, oktober 2014.  http://delftintegraal.tudelft.nl/article/spelen-meten/ Oktober 2014. De risico’s die deze ontwikkelingen met zich meebrengt zijn nog onbekend. Ook hier speelt de veiligheidsbeoordeling door een AKI een belangrijke rol.
  • Er lijkt een toename van speeltoestellen die gecombineerd worden met water, bijvoorbeeld opblaasbare toestellen enigszins gelijkend op springkussens die op open zwemwater of zwembaden worden gelegd. Een ander voorbeeld is de waterbal, waarbij een kind in een grote transparante bal over het water rolt. De mogelijke nieuwe risico’s hiervan zijn nog niet bekend.

Tatoeëren en piercen

  • Het aantal mensen dat een tatoeage neemt, groeit nog steeds. Ook neemt de omvang van de tatoeages toe. Het aantal shops is de afgelopen 5 jaar gegroeid met zo’n 40%. De verwachting is dat dit aantal ook in de komende jaren nog verder zal groeien. Daarmee groeit ook de noodzaak om te investeren in toezicht op deze sector.
  • De Europese Commissie onderzoekt of de eisen aan tatoeagekleurstoffen Europees geharmoniseerd kunnen worden. Bekeken wordt of dit via de REACH-verordening kan. Dit zal ook leiden tot geharmoniseerde analysemethoden. Uitgangspunt zijn de eisen die zijn opgenomen in een (vrijwillige) richtlijn van de Raad van Europa. De eisen die daarin staan, zijn al opgenomen in het huidige Warenwetbesluit. Voordeel van deze harmonisatie is dat importeurs of fabrikanten van tatoeage-inkten in alle lidstaten aan dezelfde eisen moeten voldoen en dat op Europees niveau kan worden samengewerkt in het toezicht op en de handhaving van tatoeëeren.
  • Huidige nationale wetgevingen en de richtlijn van de Raad van Europa gaan nu nog uit van lijsten met stoffen die niet in tatoeagekleurstoffen mogen voorkomen (negatieve lijsten). Doelstelling is echter om uit te gaan van positieve lijsten. Alleen de stoffen die op deze positieve lijsten staan, mogen dan nog worden gebruikt. Onder de Raad van Europa is een werkgroep bezig om criteria op te stellen (testmethoden) waaraan voldaan moet worden voordat een stof op de positieve lijst wordt geplaatst.
  • In Europees normalisatie (CEN-)verband wordt gewerkt aan Europese hygiënevoorschriften voor tatoeageshops. Nederland, Duitsland, Engeland en Frankrijk hebben hierin het voortouw genomen. De respectievelijk nationale voorschriften vormen hiervoor de basis.
  • Voor de aanpak van de cosmetische sector is door de minister van VWS uitgesproken dat na inwerkingtreding van de wetswijziging van de wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (wet BIG) het beroepsmatig laseren een voorbehouden handeling wordt. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport: Brief van 21 maart 2016 aan de Tweede Kamer; Beleidsreactie rapport RIVM: ‘Laseren en aanverwante behandelingen als voorbehouden handeling in de Wet BIG’. Dat betekent dat alleen door of onder toezicht van een BIG-geregisteerde hulpverlener (een arts of huidtherapeut) mag worden toegepast.

Textiel

  • De aandacht voor nieuwe producten richt zich momenteel op textiel waarbij nano-coatings worden gebruikt. Dit is met actieve stoffen (biociden) behandelde textiel, zogenoemde treated articles. De aandacht komt voort uit de onbekendheid van het effect van nanodeeltjes, en daardoor de onbekendheid van mogelijke gezondheidsrisico’s en milieu.
  • Slimme innovaties in textiel waarbij allerlei functionaliteiten aan textiel worden toegevoegd (bijvoorbeeld toevoegen van cosmetica aan textiel dat langzaam wordt afgegeven (cosmetotextiel) of het toevoegen van stoffen die kleding van kleur doen veranderen, sensoren om hartslag te meten, bacteriedodende middelen, Technologische ontwikkeling: Innovatie in textiel. Bekijk > van zonnecellen). De toegevoegde stoffen of materialen moeten in combinatie met het textiel voldoen aan de relevante regelgeving.
  • De Commissie heeft in 2014 onderzoek in het kader van de Textielverordening uitgevoerd naar de relatie tussen chemische stoffen in textiel en allergische reacties. Begin 2016 is een internetconsultatie uitgevoerd naar een voorgenomen restrictie voor CMR-stoffen in textiel. Dit zal op termijn leiden tot nadere eisen aan dit type stoffen in textiel.
  • Er vindt een steeds verdere verschuiving plaats van handel via winkelkanalen naar handel via internet. Met name van textiel dat direct van buiten de EU op het internet wordt gekocht, is het onbekend of het voldoet aan de Nederlandse en Europese regels.

4.4. Indicatoren voor de mate van veiligheid van consumentenproducten

Het gebruik van onveilige consumentenproducten kan leiden tot acute of lange-termijn-gezondheidsschade. Acute letsels en de daarbij betrokken consumentenproducten worden gericht geregistreerd. De factor gedrag speelt sterk mee bij het ontstaan van deze letsels. Gezondheidsschade op lange termijn is moeilijk meetbaar (moeilijk te onderscheiden van schade door andere factoren zoals milieu, voeding of infecties) en meestal niet te koppelen aan een specifiek product of specifieke stof. Dit is de reden dat geen of nauwelijks registraties beschikbaar zijn van de langetermijneffecten van onveilige consumentenproducten.

Registraties van ongevallen met letsel naar aanleiding van het gebruik van een consumentenproduct en resultaten van productgericht en bedrijfsgericht toezicht geven een beeld van de mate van veiligheid van consumentenproducten, alsmede signalen van onder andere consumenten en bedrijven.
Het veiligheidsniveau van consumentenproducten is niet direct te meten. Daarom maakt de NVWA gebruik van indicatoren die iets zeggen over die veiligheid. De NVWA beschrijft aan de hand van vier indicatoren hoe het staat met de veiligheid van consumentenproducten in Nederland.

Die indicatoren zijn:

4.4.1. Gezondheidsschade gerelateerd aan het gebruik van consumentenproducten

Diverse instanties registreren ongevallen waarbij consumentenproducten in het geding zijn geweest en de daaruit voortvloeiende gezondheidsschade. Op basis van deze registraties is een indicatie van de mate van veiligheid van consumentenproducten op de Nederlandse markt mogelijk.

Instanties die ongevallen met gezondheidsklachten en ongevalsmeldingen over consumentenproducten registreren

Ongevalscijfers van consumentenproducten

Om een indruk te krijgen van de omvang van deze negatieve effecten van consumentenproducten wordt hieronder een samengesteld overzicht gegeven van beschikbare registraties van ongevallen met, en gezondheidsklachten en ongevalsmeldingen over consumentenproducten.

Er worden door diverse partijen, onafhankelijk van elkaar, gegevens hierover bijgehouden:

  • in het Letsel Informatie Systeem (LIS) van VeiligheidNL staan slachtoffers geregistreerd die na een ongeval zijn behandeld op de Spoedeisende Hulp (SEH)- afdelingen van ziekenhuizen.
  • de Vereniging Samenwerkende Brandwondencentra Nederland (VSBN) houdt het aantal brandwondenbehandelingen bij.
  • het Nationaal Vergiftigingsinformatiecentrum (NVIC) houdt alle vragen en meldingen van artsen van vergiftigingsgevallen (intoxicaties) bij.
  • het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft tot en met 2014 gefungeerd als meldpunt voor gezondheidsklachten van consumenten over cosmetica.
  • verder zijn er gegevens gebruikt uit de monitor Ongevallen en Bewegen in Nederland (OBiN), De OBiN-registratie loopt tot en met 2014, daarna is het de Leefstijlmonitor geworden. dat ongevallen en letsels in de privésfeer registreert die zijn opgetreden tijdens het sporten, in het verkeer en tijdens het werk.

Deze registraties tezamen geven een beeld van de aard en omvang van ongevallen, klachten en meldingen en de producten die daarbij betrokken zijn. Het is echter geen volledig beeld omdat de registraties zich beperken tot bijvoorbeeld behandelingen in ziekenhuizen of vragen/meldingen van huisartsen. Door consumenten zelf behandelde letsels en de bijna-ongevallen worden niet geregistreerd. Verder beperken de registraties zich tot ongevallen waarbij acute schadelijke effecten zijn opgetreden en waarbij hulpverlening wordt ingeschakeld. Ongevallen waarbij langetermijneffecten kunnen optreden, zoals blootstelling aan kankerverwekkende stoffen of stoffen die allergische reacties veroorzaken, worden meestal niet herkend en dus niet geregistreerd.

De NVWA krijgt via haar meldkamer vragen en meldingen binnen van consumenten over producten die al dan niet gefaald hebben, maar ontvangt doorgaans geen ongevalsmeldingen (dat is voor consumentenproducten niet verplicht). Zij houdt zelf geen registratie bij van ongevallen, gezondheidsklachten en ongevalsmeldingen. Voor het verkrijgen van deze gegevens werkt ze daarom samen met de hierboven genoemde organisaties.

Voor een kennisgedreven toezichthouder zijn goede en betrouwbare ongevalsgegevens die te relateren zijn aan de rol van het product van belang, omdat ze een indicatie geven van mogelijke problemen met de veiligheid van producten.

4.4.1.1. Acute gezondheidsschade

Bij een beperkt deel van het aantal jaarlijkse dodelijke ongevallen (4.100) en gewonden (1,2 miljoen) in de privésfeer zijn consumentenproducten betrokken. Hoe beperkt dit deel is, is niet te kwantificeren.

Tabel VeiligheidNL

Aantal gewonden en doden door een ongeval in de privésfeer

Tabel 38 Jaarlijks gemiddeld (2006-2014) lopen ruim 1,2 miljoen personen een letsel op door een ongeval in de privésfeer.

Bron: Ongevallen en Bewegen in Nederland 2006-2014, VeiligheidNL.

Tabel 39 Het aantal overledenen naar aanleiding van een privé-ongeval was in 2015 volgens het CBS 4.129. Onderstaande tabel geeft de diverse doodsoorzaken weer (voor zover bekend).

Bron: Doodsoorzakenstatistiek 2015, Centraal Bureau voor de Statistiek.

Uit analyse van de ongevalsregistraties (tabel 39) blijkt dat er in 2015 ruim 4100 personen zijn overleden als gevolg van een ongeval in de privésfeer. Centraal Bureau voor de Statistiek: Doodsoorzakenstatistiek 2015. Dit zijn ongevallen in huis, in openbare gebouwen, op straat of tijdens vrijetijdsbesteding (dus niet in het verkeer of op het werk). Bij een beperkt deel daarvan is een consumentenproduct direct betrokken, of de oorzaak van het ongeval. Daarnaast lopen jaarlijks gemiddeld ruim 1,2 miljoen mensen een letsel op ten gevolge van een privéongeval. VeiligheidNL: Ongevallen en Bewegen in Nederland 2006-2014. Dit zijn alle privéongevallen, ongeacht of er een consumentenproduct bij betrokken is.

De NVWA heeft de registraties van ongevallen geanalyseerd waarbij een aantal specifieke productgroepen (onder andere machines, elektrotechnische apparatuur en kinderartikelen) betrokken zijn. Daaruit blijkt dat voor 60 – 80% van deze ongevallen de oorzaak van het ongeval ligt in een verkeerd en onzorgvuldig gebruik van het consumentenproduct. Deze registraties laten niet zien welk deel van de resterende 20 tot 40% is toe te schrijven aan productfactoren als een onveilig consumentenproduct of andere factoren zoals omgevingsfactoren en lichamelijke factoren. De informatie uit de analyse laat zien dat van de bovengenoemde 20 – 40%, maximaal 20 – 50% van de ongevallen gerelateerd aan consumentenproducten, toe te schrijven is aan onveilige consumentenproducten.

Deze analyse kan ook worden geëxtrapoleerd naar alle geregistreerde ongevallen met letsel. Uit de tabel 1 en 2 blijkt dat er per jaar 200.000 geregistreerde ongevallen met letsel zijn, waarvan dus naar schatting 120.000 - 160.000 toe te schrijven is aan het verkeerd of onzorgvuldig gebruik van het betreffende consumentenproduct. De overige ongevallen (40.000 – 80.000) zijn toe te schrijven aan omgevingsfactoren, lichamelijke factoren en productfactoren, waarvan een gedeelte (20 – 50%) aan productfalen. Hiervan uitgaande is maximaal 20.000 – 40.000 van deze ongevallen toe te schrijven aan een onveilig product.

Bovenstaande analyses zijn afgeleid van registraties van behandelingen op de Spoedeisende Hulp (SEH) na ongevallen waarbij een consumentenproduct is betrokken. Door consumenten zelf behandelde letsels zijn niet geregistreerd. Het aantal bij deze ongevallen betrokken consumentenproducten is een fractie van het totale aantal in Nederland verhandelde consumentenproducten. Naar schatting zijn dit er tussen de ruim 700 miljoen en enkele miljarden per jaar (gebaseerd op omzetcijfers in 2015: ca. 85 miljard euro).

Lees meer

In Nederland worden steeds meer consumentenproducten via het internet gekocht. De Nederlandse bevolking bestaat uit bijna 17 miljoen mensen, waarvan 96% het internet gebruikt. Van die laatste groep winkelen circa 12 miljoen inwoners online. Ten opzichte van 2014 vertoonde de handel in 2015 een stijging van 17%. De omzet in 2014 is bijna 14 miljard euro, waarvan ongeveer 7,1 miljard aan consumentenproducten. Ecommerce Europe: European B2C e-commerce reports 2014, september 2014; Bekijk > In 2015 is dit ruim 16 miljard euro, waarvan 8 miljard aan consumentenproducten. Thuiswinkel Markt Monitor Q2 2016. Met een aandeel van online aankopen van 19% (2015) binnen het totale marktsegment komt de totale omzet in retail consumentenproductenin 2015 op bijna 85 miljard euro. Thuiswinkel Markt Monitor Q2 2016.

4.4.1.2. Langetermijn-gezondheidsschade

De genoemde ongevalscijfers geven geen volledig beeld van de aard en omvang van alle ongevallen en gezondheidsschade. Deze cijfers gaan voornamelijk over acute gezondheidsschade. Langetermijn-gezondheidsschade als gehoorschade, schadelijke effecten bij chronische blootstelling aan chemische stoffen (CMRS), CMRS = aanduiding voor een groep stoffen met de volgende gevaareigenschappen: Carcinogeen (kankerverwekkend), Mutageen (veranderingen in erfelijke eigenschappen inducerend), Reproductief toxisch (schadelijk voor de voortplanting of het nageslacht) en/of Sensibiliserend (leidend tot allergieën) verstoring van de hormoonhuishouding, invloed op het afweersysteem en stralingsschade wordt niet of zeer beperkt meegenomen. Deze laatste vormen van schade worden niet systematisch geregistreerd en zijn ook lastig aan specifieke consumentenproducten toe te schrijven, waardoor de chronische ziektelast niet is te kwantificeren. Wel besteden productveiligheidsonderzoeken door kennisinstituten aandacht aan risico’s als langetermijn-gezondheidsschade. Zo doen kennisinstituten veel onderzoek naar de risico’s van chemische stoffen in consumentenproducten, ook in de vorm van nanomaterialen.

4.4.2. De mate waarin consumentenproducten voldoen aan de wettelijke eisen

De NVWA houdt toezicht op naleving van wet- en regelgeving door bedrijven en instellingen, met als uiteindelijke doel het borgen van het publieke belang, in deze de volksgezondheid. Als de naleving niet in orde is, treedt de NVWA handhavend op. De NVWA is een handhavingsorganisatie in den brede zin van het woord. In het kader van handhaven houdt de NVWA toezicht op de naleving van wet – en regelgeving door bedrijven en instellingen.

Resultaten uit productgericht toezicht laten zien hoe het staat met de veiligheid van de consumentenproducten en geven inzicht in de mate waarin consumentenproducten voldoen aan de wettelijke eisen. In productonderzoeken controleert de NVWA of specifieke productgroepen voldoen aan de geldende veiligheidseisen.

Indien noodzakelijk laat de NVWA onveilige consumentenproducten van de markt halen, en informeert en waarschuwt het bedrijfsleven en anderen zoals consumenten en andere lidstaten via de Europese Commissie/overheid. Over de resultaten van deze productonderzoeken communiceert de NVWA via factsheets en door de individuele inspectieresultaten actief openbaar te maken. Deze resultaten geven een indicatie van hoe het ervoor staat met de veiligheid van de onderzochte consumentenproducten en ze geven inzicht in de mate waarin het bedrijfsleven de verantwoordelijkheid voor productveiligheid oppakt bij het op de markt brengen van consumentenproducten.

Naar aanleiding van productonderzoeken in de periode 2012 – 2015 heeft de NVWA maatregelen opgelegd zoals schriftelijke waarschuwingen en boetes. In deze gevallen moet de ondernemer ook de verhandeling van het product stoppen. Hieronder is per productgroep aangegeven voor welk percentage van het aantal onderzochte productmonsters maatregelen zijn opgelegd.

  aantal monsters aantal maatregelen in %
Gastoestellen (koffermodel gastoestellen) 30 27 90%
Speelgoed 570 108 19%
Tatoeëren en piercen (tatoeagekleurstoffen) 508 95 19%
Chemische stoffen 395 74 19%
Biociden 190 27 14%
Elektrotechnische producten 352 55 16%
Machines 20 3 15%
Cosmetica 304 39 13%

Resultaten toezicht

Tabel Productgericht toezicht periode 2012-2015

Rapportages productgericht toezicht per productgroep in de periode 2012 – 2015

Attractietoestellen

Voor de productgroep attractietoestellen loopt voor de NVWA geen product gericht project.

Baby- en kinderartikelen
  1. Fopspenen

    Na klachten over makkelijk door te bijten materiaal en de zwakke constructie van fopspenen is nader onderzoek verricht. Daaruit bleek dat er sprake was van een nieuwe afwijkende fabricagemethode. Dit onderzoek is medio 2014 uitgevoerd. Bij 1 van de 27 onderzochte merken en typen fopspenen werd één tekortkoming geconstateerd. Bij deze fopspeen scheurde de speen vlakbij het fopspeenschild af waardoor de speen nagenoeg in z’n geheel loskwam van de houder. NVWA: Baby-en kinder artikelen – fopspenen factsheet screening van de markt, april 2015. De producent heeft de veiligheid van het product (merk/type) niet kunnen aantonen en heeft begin februari 2015 een volledige terugroepactie uitgevoerd, en het publiek gewaarschuwd.

  2. Kinderstoelen

    In de periode mei-juli 2015 onderzocht de NVWA 24 kinderstoelen op onder andere vingerbeknelling, op openingen die ervoor zorgen dat een kind eruit kan vallen, en stabiliteit. 10 stoelen voldeden niet aan de gestelde eisen: 1 is instabiel, 3 kunnen vingerbeknelling veroorzaken, 3 hebben openingen waardoor een kind kan vallen en bij 3 ontbreekt de waarschuwing voor ouders om een kind niet alleen te laten in de kinderstoel. Verkoop van deze stoelen is verboden en voor de ene instabiele stoel is een publiekswaarschuwing geëist. NVWA: Kinderstoelen 2015: onderzoek naar de veiligheid van hoge kinderstoelen, januari 2016. De onderzoeksgegevens zijn gepubliceerd op de website van de NVWA

  3. Kinderbedjes

    In de periode 1 januari 2013- 30 april 2015 heeft Prosafe een joint action voor kinderbedjes uitgevoerd. Resultaten lieten zien dat 4 van de 50 onderzochte kinderbedjes niet aan de gestelde eisen voldeden. De deelnemende lidstaten hebben naar aanleiding van de resultaten 22 RAPEX-notificaties verstuurd,  en 24 modellen kinderbedjes teruggeroepen, teruggetrokken of een verkoopverbod ingezet. Tien producten worden aangepast voor verdere verkoop. Prosafe: Joint action 2013 GPSD, Final technical report, cots covering the period 1 january 2013-30 april 2015, February 2016.

Biociden

In de verslagperiode is geen rapportage uitgebracht over een productgericht project. In 2015 is een verkenning uitgevoerd van met biociden behandelde producten. Dit onderwerp krijgt de komende jaren meer aandacht in het toezicht.

Cosmetica
  1. Haarkleurstoffen in haarkleurproducten

    Controle op de aanwezigheid van 'verboden' stoffen: In 2014 zijn 96 haarkleurproducten onderzocht. Haarkleurproducten van zowel de gerenommeerde merken als ook de huismerken, voldoen voor het overgrote deel (94%) aan de gecontroleerde wettelijke verplichtingen. Bij producten die niet voldoen zijn corrigerende maatregelen opgelegd.

  2. Anti-zonnebrandmiddelen rapportage, SPF-waarden, UV-filters en nitrosamines

    In 2014 zijn 176 producten van 60 merken onderzocht op UV-filter en nitrosamines. Uit de inventarisatie blijkt dat in alle producten filters aanwezig zijn die bescherming bieden tegen UV-A- en UV-B-straling. Van 58 producten is onderzocht of de opgegeven zonbeschermingsfactor (SPF) overeenkomt met de gemeten waarde. In 86% van de gevallen is deze juist opgegeven. Bij producten die niet voldoen zijn corrigerende maatregelen opgelegd.

  3. Claims op cosmetische producten

    In 2015 is een verkennend onderzoek uitgevoerd waarbij de soorten claims op etiketten van kinderverzorgingsproducten en anti-zonnebrandmiddelen zijn geïnventariseerd. Uit vervolgonderzoek moet blijken of claims op cosmetica ook voldoende worden onderbouwd.

Chemische stoffen in consumentenproducten
  • In de periode december 2013 tot februari 2014 is onderzoek gedaan naar de navulverpakkingen van de e-sigaret. Daarbij is gekeken naar veiligheid op het gebied van nicotinegehalte en tekortkomingen bij de verpakkings-en etiketteringseisen. Bij 11% van de navulverpakkingen met een nicotinegehalte waarvoor een kindveilige sluiting (KVS) vereist is, ontbreekt deze. Op alle verpakkingen met mengsels zonder nicotine zit wel een KVS. Dit is een ongewenste situatie, vanwege de verwarring die dit over de gevaren van het nicotinehoudende mengsel kan opleveren. Bij 70% ontbreekt de voelbare gevaaraanduiding of is deze onjuist aangebracht. Op 61% van de gevaaretiketten ontbreken de verplichte symbolen. Daar waar het T-symbool verplicht is, ontbreekt dit in 68% van de gevallen. In alle gevallen wordt niet voldaan aan de juiste wijze van aanbrengen van het etiket.
Draagbaar klimmaterieel

In de verslagperiode is er gerapporteerd over 2 projecten die in samenwerking met andere toezichthouders in Europa via Prosafe zijn uitgevoerd. Deze hadden betrekking op huishoudtrappen, reform- en uitschuifladders, telescopische ladders, en vouwladders. Prosafe rapporteert dat door deze projecten meer dan 50% van de laddertypes in de EU zijn onderzocht. De meerderheid van de geteste producten voldoet niet aan de eisen. Prosafe: Five Consumer Products, Joint Market Surveillance Acton, Final Implmentation Report covering the period 1 January 2011 – 30 April 2013,  Juni 2013. Prosafe: Final Technical Report Ladders covering 1 January 2013 – 30 April 2015, januari 2015. Bekijk > Het betrof voornamelijk afwijkingen op het gebied van gebruiksinstructies.

Elektrotechnische producten
  • In juni 2014 onderzocht de NVWA bij zonnebanken de naleving van de leeftijdscontrole (<18 jaar) bij zonnestudio’s. Uit dit onderzoek blijkt dat 3 op de 4 jongeren beneden de 18 jaar het gebruik van een zonnebank niet wordt ontzegd. Slechts in 24% van de gevallen wordt een jongere geweigerd. Er is een significant verschil zichtbaar tussen zonnestudio’s die zijn aangesloten bij branchevereniging Samenwerkingsverband Verantwoord Zonnen (52% weigering) en niet-aangesloten zonnestudio’s (14 tot 17% weigering). Jongeren worden hierdoor onvoldoende weerhouden zonnebanken te gebruiken waardoor risico op huidkanker op latere leeftijd onvoldoende wordt tegengegaan. NVWA. Factsheet leeftijdscontrole bij gebruik van zonnebanken, juni 2014. De NVWA heeft de minister van VWS geadviseerd de wetgeving aan te passen waardoor handhaving mogelijk wordt. Dit wordt mogelijk in Europees verband geregeld.
  • Eind 2014 en begin 2015 onderzocht de NVWA samen met het Agentschap Telecom en de Inspectie Leefomgeving en Transport de veiligheid van LED-lampen. Uit technisch onderzoek bleek dat in een aantal gevallen de lampen de hoogspanningsbeproeving niet doorstonden, dat in veel gevallen de verbinding fase en nulgeleiders niet betrouwbaar was, dat het loodgehalte van de gebruikte soldeer te hoog was, en dat zes lampen radiostoringen kunnen veroorzaken. Een groot deel van de afwijkingen betrof de administratieve verplichtingen. Door het niet voldoen aan die verplichtingen kan geen zekerheid worden verkregen of de producten aan de energie- en milieueisen voldoen. Ook kan daardoor niet worden beoordeeld of de lamp veilig is.
Gastoestellen
  • Onderzoek van koffermodel gaskooktoestellen in 2013 van 15 verschillende typen producten levert het resultaat op dat allen onveilig waren. De NVWA heeft erop toe gezien dat bedrijven die onveilige toestellen hebben verkocht, de juiste en voldoende maatregelen namen. Enkele toestellen die een ernstig veiligheidsrisico opleveren voor de consument zijn genotificeerd via het RAPEX-systeem van de Europese Commissie.
  • In juni 2015 onderzoekt Prosafe CO-melders. 15 verschillende merken/typen CO-melders op de Nederlandse markt zijn bemonsterd. Voor zover onderzocht zijn bij 12 van de 15 op de Nederlandse markt bemonsterde en onderzochte merken/type CO-melders tekortkomingen vastgesteld ten opzichte van de eisen in de Europese normen. De niet-functionerende CO-melders zijn van de markt gehaald. De twee melders die een ernstig veiligheidsrisico opleveren voor de consument zijn genotificeerd via het RAPEX-systeem van de Europese Commissie. (NB: hoewel een CO-melder geen gasapparaat is, is het wel relevant voor de CO-problematiek. Daarom staat dit onderzoek hier vermeld).
Machines

In de verslagperiode is er niet gerapporteerd over productgerichte projecten

Voedselcontactmaterialen Materialen die met levensmiddelen in aanraking komen. die met levensmiddelen in aanraking komen
  • In 2013 is onderzoek gedaan naar de migratie van lood en cadmium uit ambachtelijke en in kleine series vervaardigde tajines. Bijna alle tajines voldoen aan de huidige migratielimieten, ook al zijn ze meestal niet voorzien van een verklaring van overeenstemming.
  • In 2014 is onderzoek gedaan bij grote en kleine producenten en importeurs van kunststof verpakkingen en gebruiksartikelen NVWA: Factsheet Food Contact Materials in de levensmiddelenindustrie 2014, juni 2015. naar specifieke eisen voor de ‘verklaring van overeenstemming.’ De grote levensmiddelenproducenten hebben dit redelijk tot goed op orde. De kleine producenten en importeurs scoren beduidend slechter. In enkele gevallen zijn schriftelijke waarschuwingen opgelegd, meestal vanwege het ontbreken van de Verklaring van Overeenstemming.
  • In 2014 is gerapporteerd over importcontrole melamine en polyamide keukengerei uit China en Hongkong. Dit rapport geeft een overzicht van de resultaten van de verplichte controles vanaf de start van de controles in 2011 tot eind 2013. Partijen keukengerei waarin formaldehyde is aangetroffen zijn teruggestuurd naar het land van herkomst.
Persoonlijke beschermingsmiddelen

In de verslagperiode is niet gerapporteerd over productgerichte projecten.

Speelgoed

Bij productgericht toezicht worden veel monsters van pluche, zacht plastic of houten speelgoed onderzocht. Relatief veel afwijkingen worden al jaren geconstateerd bij weekgemaakt zacht plastic speelgoed.

In de periode 2012-2015 is gerapporteerd over de volgende productgerichte projecten:

  • De resultaten van onderzoek naar vingerverf werden in november 2015 gepubliceerd en actief openbaar gemaakt. NVWA: Vingerverf 2015: Onderzoek chemische stoffen en beoordeling etiket. November 2015. Bijna de helft (48%) van de onderzochte vingerverf voldeed niet aan de veiligheidseisen. De NVWA heeft de verkoop van deze producten verboden. In één geval is een publiekswaarschuwing geëist. In 5 producten werd een te hoog gehalte van een chemische stof aangetroffen, waaronder de kankerverwekkende stof NDELA, de sensibiliserende stoffen BIT, CMI en MI. Er waren vooral afwijkingen op het etiket of de verpakking; dat vermeldde de waarschuwing of het toegevoegde conserveermiddel niet.
  • De NVWA heeft in 2015 vragen gekregen over ‘loom’-elastiekjes. Dit zijn elastiekjes met een diameter van ongeveer 1 cm waarmee armbandjes, ringen of figuurtjes gehaakt kunnen worden. De elastiekjes waren een rage onder kinderen. De NVWA heeft verschillende merken en kleuren elastiekjes onderzocht op chemische samenstelling, en op de leeftijdsaanduiding op de verpakking. De onderzochte elastiekjes bleken geen chemische stoffen af te geven en bevatten geen weekmakers.
  • In de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 december 2015 heeft Prosafe een joint action uitgevoerd op het gebied van speelgoed voor kinderen van drie jaar of jonger. Op het gebied van fysisch mechanische eisen zijn 265 speelgoedproducten getest. Daarvan vormt 35% een serieus risico. Gerelateerd aan de migratie van specifieke chemische elementen (EN71-3) vormt 0,5% van de onderzochte speelgoedproducten een serieus risico. En van de 228 speelgoedproducten die op ftalaten zijn getest, vormt 12,3% een serieus risico. Prosafe: Joint action 2013 GPSD, Final technical report toys intended for children under 3 years, januari 2016. De opvolgende maatregelen varieerden van vrijwillige en gedwongen terugroepacties, verkoopverboden, productaanpassingen en andere corrigerende maatregelen.

De NVWA heeft in 2015 bij een aantal nepwapens onderzocht of ze voldeden aan de eisen voor kinetische energie in de Speelgoedrichtlijn. Daarbij zijn geen afwijkingen aangetroffen.

Speeltoestellen

In de periode 2012-2015 zijn geen rapportages uitgebracht over speeltoestellen.

Tatoeëren en piercen
  • In april 2015 zijn de resultaten van onderzoek aan tatoeage-inkten in de periode 2008-2013 gepubliceerd in combinatie met de voorlichtingscampagne ‘Think before you ink’. NVWA: Resultaten onderzoek van kleurstoffen voor tatoeages en permanente make-up in de periode 2008 – 2013, November 2014. NVWA: Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) in tatoeagekleurstoffen, februari 2015. Doel van de campagne is om de consument meer bewust te maken van de mogelijke risico’s van het zich laten tatoeëren en het vergroten van het veilig laten zetten en verwijderen van tatoeages. Naar schatting 1/3 van alle op de Nederlandse markt beschikbare en gebruikte tatoeage-inkten bevat stoffen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Het onderzoek van tatoeagekleurstoffen (rood, geel, oranje, groen en zwart) heeft zich gericht op de aanwezigheid van chemische verontreinigingen zoals zware metalen en aromatische aminen, microbiologische verontreinigingen en conserveringsmiddelen. Er is een afzonderlijk onderzoek uitgevoerd naar zwarte inkt. Daarbij werden in meer dan 40% van de inkten de kankerverwekkende polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) aangetroffen. Ook is onderzocht of voldaan werd aan de etiketteringseisen. Bemonsterd werd bij reguliere importeurs, bij buitenlandse leveranciers op beurzen en via internet en bij dienstverleners die hun materiaal rechtstreeks importeren uit het buitenland.
  • In  2011 beschikte 88% van de bij GGD en NVWA bekende tatoeage- en piercingshops (inclusief Permanente Make Up (PMU)) over een geldige vergunning. In 2012 was dat 86%, in 2013 93% en in 2014 90%. In totaal zijn in de periode 2011-2014 zo’n 500 illegale tatoeëerders opgespoord. NVWA: Handhavend optreden tegen  illegale tatoeëerders en piercers en overtreders van de leeftijdgrenzen voor een tatoeage of piercing 2011-2014, september 2015. Deze tatoeëerders vallen niet onder bedrijfsgericht toezicht, maar onder aanleidingsgericht toezicht. Het genoemde aantal staat daarom niet in bovenstaande tabel.
  • In oktober 2014 publiceerde de NVWA over onaangekondigde hygiëne-inspecties die in 2012 en 2013 zijn uitgevoerd. Naar aanleiding van deze inspecties is bij 36 van de 119 locaties (30%) een schriftelijke waarschuwing opgemaakt. In een aantal situaties kon worden volstaan met een mededeling. Dit betrof tekortkomingen die ad-hoc konden worden opgelost, bijvoorbeeld doordat informatie over risico’s of nazorg direct werden gekopieerd om mee te geven aan de klant. Regelmatig kwam het echter voor dat de schriftelijke waarschuwing meerdere items uit de hygiënerichtlijn NVWA: Onaangekondigde hygiëne-inspecties tatoeage en piercing, 2 juli 2013. betrof. Na de waarschuwingen bleken bij nieuwe inspecties vrijwel alle tekortkomingen verholpen. De NVWA heeft door deze resultaten haar interventiebeleid aangescherpt. Tattoo- en piercingshops die de hygiëne-eisen heel zwaar overtreden, krijgen direct een geldboete.
Textiel

Er zijn geen rapportages van productgerichte projecten in de periode 2012-2015.

Het toezicht op deze productgroepen is over het algemeen risicogericht. Bovenstaande cijfers zijn gebaseerd op selectieve steekproeven in de markt. De kans dat het onderzochte product niet voldoet aan wettelijke voorschriften is daarmee groter. Deze werkwijze verhoogt de effectiviteit van het toezicht, maar geeft geen exacte cijfers over de naleving in een bepaalde sector.

4.4.3. Verantwoordelijkheid bedrijfsleven voor consumentenproducten

Het bedrijfsleven is primair verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige consumentenproducten.
Het bedrijfsgerichte toezicht van de NVWA levert inzicht in de mate waarin bedrijven de op hun producten van toepassing zijnde wet- en regelgeving op het gebied van productveiligheid naleven. In het geval dat bedrijven niet aan de wettelijke voorschriften voldoen, legt de NVWA maatregelen op. Bijvoorbeeld omdat bedrijfsprocessen niet in orde zijn waardoor het bedrijf niet in staat is om, bij het ontstaan van risico’s door een fout in het productieproces, deze zo snel mogelijk weg te nemen. De NVWA stelt de geïnspecteerde bedrijven op de hoogte van de maatregelen.

Hieronder is weergegeven hoe vaak bij inspecties bij bedrijven die de genoemde productgroepen produceren, importeren, verhandelen, beschikbaar stellen of verkopen, deze de regels niet naleven. Per productgroep is aangegeven hoeveel bedrijfsinspecties zijn uitgevoerd en in welk deel er door de NVWA een overtreding van de betreffende wet- en regelgeving werd geconstateerd en een maatregel (onder andere schriftelijke waarschuwingen, boetes en verbod op verhandelen betreffende producten) is opgelegd.

Ook hier geldt dat het toezicht risicogericht is en dat deze cijfers dus gebaseerd zijn op selectieve steekproeven in de markt. Dit leidt ertoe dat bij deze inspecties relatief vaker geconstateerd wordt dat bedrijven niet aan de eisen voldoen en geeft inzicht in het aantal inspecties waar bij de onderzochte bedrijven niet aan wet- en regelgeving wordt voldaan. Het betreft de periode 2012 – 2015.

  aantal bedrijfscontroles aantal maatregelen maatregelen in %
Speeltoestellen 230 100 44%
Attractietoestellen 418 140 34%
Tatoeëren en piercen 1423 388 27%
Cosmetica 276 71 26%
Speelgoed 154 38 25%
Chemische stoffen, inclusief biociden 444 50 11%
Elektrotechnische producten 140 8 6%
Voedselcontactmaterialen 457 19 4%
Baby –en kinderartikelen 98 3 3%

Bedrijfsgerichte toezichtresultaten NVWA per productgroep in de periode 2012-2015

Tabel Bedrijfsgericht toezicht periode 2012-2015

Attracties

  • Toezicht attractieparken (rapportage inspectieresultaten 2010, 2011, 2012 en 2013, NVWA, 13 februari 2014 en rapportage inspectieresultaten 2014, NVWA, mei 2015)
  • Toezicht kermisattracties 2012-2013 (rapportage NVWA, 17 juni 2014). Uit selectieve controles van de NVWA blijkt dat bijna 1/3 van de in 2012 en 2013 onderzochte kermisexploitanten de veiligheidseisen voor kermisattracties niet goed naleeft. Het gaat hier vooral om het ontbreken van verplichte veiligheidskeuringen of het niet nakomen van onderhoudsverplichtingen. In een aantal gevallen zijn ook technische tekortkomingen geconstateerd. In 2013 is een lichte verbetering te constateren van de naleving in vergelijking met 2012.

Toezicht kermisattracties 2014-2015, (rapportage NVWA, april 2016).

Chemische consumentenproducten

Bij chemische consumentenproducten worden in het kader van bedrijfsgericht toezicht uitgebreide dossiercontroles uitgevoerd. Daarbij wordt nagegaan of bedrijven zich houden aan de belangrijkste administratieve verplichtingen uit de REACH- en CLP-verordeningen.

Tabel 15 Resultaten van dossiercontroles van de belangrijkste REACH- en CLP-verplichtingen (2012-2015).

4.4.4. Signalen uit de maatschappij

De consument kan (vermeende) onveilige consumentenproducten melden bij het bedrijf dat het product heeft geleverd of bij de NVWA. Bedrijven zijn verplicht om onveilige producten te melden aan de NVWA. Ook komen meldingen van andere lidstaten over onveilige producten bij de NVWA, onder andere via het RAPEX-systeem. EU systeem voor snelle uitwisseling van informatie over onveilige producten tussen de lidstaten. Deze producten kunnen namelijk ook in Nederland op de markt zijn.   
Het aantal en de aard van klachten, vragen en meldingen van consumenten en bedrijven geven een indicatie van productgroepen in consumenten zich relatief vaak zorgen maken en/of waaruit relatief vaak onveilige producten worden gemeld.

De NVWA ontvangt jaarlijks rond de 32.500 (2015) klachten/meldingen Als er ergens iets mis is met consumentenproducten, kan een consument of een bedrijf een klacht of een melding indienen bij de NVWA. In de huidige registratie is er geen onderscheid gemaakt tussen klacht en melding. Daarom worden ze hier als signalen uit beide bronnen bij elkaar geteld. In de toekomst melding betrekking hebben op situaties waarbij een consument of een bedrijf een onveilig product meldt. en vragen van zowel van consumenten als bedrijven. Ongeveer 2400 daarvan betreffen consumentenproducten. De NVWA reageert indien nodig op de signalen en gebruikt deze signalen om haar toezicht gerichter in te zetten.

Hoe veilig zijn consumentenproducten

In de periode 2012-2015 zijn de meeste signalen ontvangen over de volgende productgroepen:

Klachten/meldingen:
Vragen:

Overzicht per productgroep

In dit onderdeel wordt ook een overzicht gegeven van het aantal signalen dat de NVWA heeft ontvangen voor het toezicht. Het gaat dan om signalen van consumenten (vragen en klachten over producten), ondernemers (vragen, meldingen van eigen producten die niet voldoen aan regelgeving en waarop zelf actie is ondernomen, en klachten over andere ondernemers die niet voldoen aan regelgeving en daardoor marktverstorend bezig zijn) en signalen van andere overheden en instanties (meldingen van de Europese Commissie, van mede-toezichthouders uit andere lidstaten of van buiten Europa, van collega-inspecties, et cetera). Dit geeft een beeld van hoeveel er speelt in de betreffende productgroep.

Attractietoestellen

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 284 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen en is daaraan een opvolging gegeven. De meeste meldingen gaan over (bijna) ongevalssituaties/ letsels, gevaarlijke situaties of slecht onderhoud, en vragen gaan over keuringen en daarvoor geldende eisen. Na iedere melding wordt een inspectie uitgevoerd. De handhavingsresultaten zijn onderdeel van de hierboven weergegeven inspectieresultaten.

Tabel 7 Signalen ten behoeve van toezicht op attractietoestellen (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
284 85 197 2

Baby- en kinder artikelen

In het RAPEX-systeem staan veel meldingen over koordjes in kinderkleding en fopspeenkoordjes. Er zijn 6 RAPEX-meldingen vanuit Nederland aan de commissie gedaan. Deze gingen onder andere over een babyloopstoeltje wegens slechte remwerking, en een kinderstoel die kan omvallen. In 2012-2015 zijn er door bedrijven 35 productwaarschuwingen over baby- en kinderartikelen gepubliceerd, onder andere over babymatrasjes, kinderbedjes, traphekjes en fopspenen.

Biociden

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 375 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen. Deze hebben een opvolging gekregen, en dat heeft, waar nodig, tot handhaving geleid. De meeste klachten gaan over (verkoop van) producten zonder toelatingsnummer (dus over niet-toegelaten middelen), over mogelijk onterechte claims en over ontbrekende etiketteringsinformatie. De vragen van consumenten gaan vooral over toepassing van producten. Vragen van bedrijven gaan over (toelatings)eisen van producten.

Tabel 10 Signalen ten behoeve van toezicht op biociden (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
375 184 190 1

Cosmetica

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 923 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen en is daaraan een opvolging gegeven. De meeste meldingen en vragen gaan over de samenstelling, de etikettering en het gebruik van cosmetische producten en allergische of overgevoeligheidsreacties.
Er zijn 15 RAPEX-meldingen vanuit Nederland aan de Commissie verstuurd in de verslagperiode. Deze gingen onder meer over crème met lidocaïne, huidbleekmiddelen, microbiologisch verontreinigde anti-rimpelcrème, huidverzorgingsproduct met schadelijke stof, haarverzorgingsproduct met schadelijke stof en een microbiologisch verontreinigde bodypaint.

Tabel 13 Signalen ten behoeve van toezicht op cosmetica (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
923 418 380 125

Chemische stoffen in consumentenproducten

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 700 signalen van consumenten ontvangen en is er een opvolging aan gegeven. De meeste vragen van consumenten gaan over etikettering van huishoudchemicaliën. Daarna volgen vragen over de aanwezigheid van mogelijk gevaarlijke stoffen zoals asbest, cadmium, weekmakers en PAK’s.
De 5 RAPEX-meldingen vanuit Nederland aan de Commissie gingen onder meer over corrosieve reinigingsmiddelen, lijm met een kankerverwekkende stof, schoonmaakmiddel zonder etiket brandbaar, refill-container/flesje e-sigaret zonder kinderveilige sluiting, en refill-container e-sigaret zonder waarschuwing.

Tabel 16 Signalen ten behoeve van toezicht op REACH en CLP (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
700 322 203 175

Draagbaar klimmateriaal

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 62 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen en is daaraan een opvolging gegeven. De meeste meldingen gaan over ondeugdelijke ladders en vragen gaan over eisen die van toepassing zijn op dit soort producten.
De twee RAPEX-meldingen vanuit Nederland aan de Commissie in de verslagperiode gingen over een vouwladder en een huishoudtrap, beide met onvoldoende sterkte.

Tabel 19 Signalen ten behoeve van toezicht op draagbaar klimmaterieel (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
62 29 28 5

Elektrotechnische producten

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 1200 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen en is daaraan een opvolging gegeven en waar nodig ook handhavend opgetreden. De meeste vragen gaan over eisen aan producten of toepassing ervan en klachten over onveilige producten. De  meldingen zijn afkomstig van RAPEX, CPSC (Amerikaanse toezichthouder), collega-inspectiediensten en bedrijven.
De 4 RAPEX-meldingen vanuit Nederland aan de Commissie gingen o.a. over een zonnepaneel en een USB-lader.

Tabel 21 Signalen ten behoeve van toezicht op elektrotechnische producten (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
1200 312 540 348

Gastoestellen

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 167 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen en is daaraan een opvolging gegeven, en zo nodig op gehandhaafd. De meeste klachten en meldingen gaan over onveilige toestellen. Vragen gaan over eisen aan deze producten.
De 10 RAPEX-meldingen vanuit Nederland aan de Commissie gingen over een terrasverwarmer en verschillende koffermodel gaskooktoestellen uit eigen markt-onderzoek.

Tabel 23 Signalen ten behoeve van toezicht op gastoestellen (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
167 89 61 17

Machines voor privégebruik

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 233 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen en is daaraan een opvolging gegeven en indien nodig handhavend opgetreden. De meeste meldingen betreffen onveilige producten en vragen gaan over eisen aan producten.
Er zijn geen RAPEX-meldingen vanuit Nederland aan de Europese Commissie gedaan.

Tabel 25 Signalen ten behoeve van toezicht op machines voor privé gebruik (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
233 64 73 96

Voedselcontactmaterialen

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 562 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen, is daaraan een opvolging gegeven en is er zo nodig op gehandhaafd. De meeste klachten gaan over (veiligheids)problemen met producten en meldingen over migratie van chemische stoffen uit producten. Vragen gaan over veiligheidseisen die gesteld zijn aan producten en risico’s bij gebruik van producten.
De 9 RASFF-meldingen vanuit Nederland aan de Commissie gingen onder meer over eetstokjes zonder certificaat, migratie van formaldehyde of primaire aromatische amines uit kunststof keukengerei (bestek, servies), en migratie van weekmakers DEHP en DOTP uit afsluitdeksels. In een aantal situaties was er sprake van een ernstig gezondheidsrisico. In deze situaties heeft de NVWA opgetreden.

Tabel 27 Signalen ten behoeve van toezicht op voedselcontactmaterialen (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
562 340 138 84

Persoonlijke beschermingsmiddelen

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 88 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen en is daaraan een opvolging gegeven. De meeste meldingen zijn bedrijfsmeldingen over niet-functionerende producten. Vragen gaan over veiligheidseisen.
De RAPEX-melding vanuit Nederland aan de Commissie ging over zwembandjes.

Tabel 29 Signalen ten behoeve van toezicht op persoonlijke beschermingsmiddelen (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
88 26 26 36

Speelgoed

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 796 signalen van consumenten en bedrijven over speelgoed ontvangen, daaraan is opvolging gegeven, en waar nodig gehandhaafd. De meeste klachten gaan over de onveiligheid van producten. Meldingen zijn RAPEX-meldingen of eigen bedrijfsmeldingen. De vragen gaan over veiligheidseisen of risico’s van producten.
Er zijn veel meldingen van deze productgroep aan de Commissie via RAPEX. Bij de 79 meldingen door de NVWA via RAPEX  gaat het in bijna alle gevallen om verstikkingsgevaar door het loskomen van kleine onderdelen. Daarna komt gezondheidsgevaar door de aanwezigheid van schadelijke chemische stoffen die allergische of overgevoeligheidsreacties en/of op langetermijn-gezondheidsschade kunnen veroorzaken (kankerverwekkend, mutageen, reprotoxisch), bijvoorbeeld in weekgemaakt PVC-speelgoed. Andere meldingen betroffen muziekinstrumenten, badspeeltjes, speelgoedautootjes, opwindspeelgoed, houten speelgoed (verstikking, kleine onderdelen), bellenblaas, boetseerklei (microbiologische verontreiniging) of keukenspeelsets, speelgoed met vloeistof, schepjes, popjes, speelgoed met batterijen (chemische risico’s, zware metalen).

Tabel 31 Signalen ten behoeve van toezicht op speelgoed (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
796 185 260 351

Speeltoestellen

In de periode 2012 – 2015 werden in totaal 460 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen. Daaraan is een opvolging gegeven, en daar waar nodig op gehandhaafd. De meeste klachten en meldingen en vragen gingen over veiligheids- en gebruikseisen.

Tabel 33 Signalen van ten behoeve van toezicht op speeltoestellen (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
460 191 268 1

Tatoeëren en piercen

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 1240 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen, is eraan een opvolging gegeven, en zo nodig handhavend opgetreden. De meeste klachten/meldingen gaan over illegale tatoeëerders en de vragen over de veiligheid van tatoeage-inkten.
De 2 RAPEX-meldingen vanuit Nederland aan de Commissie gingen over tatoeagekleurstoffen met kankerverwekkende stoffen.

Tabel 35 Signalen ten behoeve van toezicht op tatoeëren en piercen (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
1240 90 1094 56

Textiel

In de periode 2012-2015 zijn in totaal 426 signalen van consumenten en bedrijven ontvangen, waarna opvolging is gegeven, en waarop zo nodig is gehandhaafd. De meeste meldingen en vragen gingen over overgevoeligheidsreacties en allergische reacties.
Er zijn in de verslagperiode geen RAPEX-meldingen vanuit Nederland naar de Commissie gegaan.

Tabel 37 Signalen ten behoeve van toezicht op textiel (2012-2015)
totaal vragen klachten meldingen
426 167 90 169

Als wordt gekeken naar de resultaten van de verschillende indicatoren zit er een zekere consistentie in en komen productgroepen als tatoeëren en piercen, speelgoed, cosmetica en elektrotechnische producten steeds terug.

4.5. Conclusie

De Staat van productveiligheid beschrijft het stelsel productveiligheid met zijn wet- en regelgeving, actoren en verantwoordelijkheden van deze actoren. Deze uitgebreide wet- en regelgeving is gericht op het beheersen van bekende risico’s, het reageren op concrete signalen van onveilige consumentenproducten én op het signaleren van mogelijke nieuwe risico’s in een dynamische en innovatieve markt. Er is sprake van een robuust en flexibel stelsel met heldere verantwoordelijkheden als het gaat om de beheersing van deze risico’s.

Hoe veilig zijn consumentenproducten die op de Nederlandse markt komen? Door middel van indicatoren geeft dit rapport een aanzet om te kwantificeren in hoeverre er veilige en onveilige consumentenproducten in de handel zijn. Deze indicatoren laten zien dat het overgrote deel van de consumentenproducten veilig kan worden gebruikt door consumenten maar dat er, ondanks inspanningen van het bedrijfsleven, de overheid en consumenten, toch onveilige consumentenproducten op de Nederlandse markt komen.
Op basis van de beschikbare gegevens (uit letselregistraties, eigen inspecties, meldingen, et cetera) heeft de NVWA een goed beeld van de productgroepen die mogelijk acute gezondheidsschade opleveren, van welke consumentenproducten het risico op (gezondheids)schade het grootst is en de ontwikkelingen die daarbij een rol spelen. Voor productgroepen die bij gebruik mogelijk langetermijn-gezondheidsschade opleveren is dit niet aan te geven. 100% veiligheid kan het stelsel van productveiligheid met zijn uitgebreide wet- en regelgeving, veelheid aan actoren en diversiteit aan verantwoordelijkheden niet garanderen. De NVWA intervenieert daar waar de kans op onveilige producten het grootst is en het toezicht het meest effectief.

Productveiligheid kenmerkt zich door een breed scala aan consumentenproducten, grote volumes, hoge omzetsnelheden en veel productinnovatie. Voor de NVWA betekent dat: prioriteiten, toezichtmethoden en werkwijzen aanpassen aan de wisselingen in de markt en de  toegenomen complexiteit van de markt. Maar de NVWA is als toezichthouder onderdeel van een breder maatschappelijk krachtenveld dat van invloed is op de veiligheid van consumentenproducten. Met deze Staat van productveiligheid informeren we andere actoren om hun rol en bijdrage in het geheel op te pakken.